“De ontdekker”, in meerdere te volgen delen


Ach schiet mij maar dood zei Opa…..

Voorwoord:
Er zijn miljarden levende wezens op deze planeet en wij zijn er ook een paar van.


Leuke en minder leuke anekdotes, vertellingen, serieuze zaken en ideeën.
Als ik mijzelf moet omschrijven ben ik iemand die nog elke dag iets nieuws probeert te ontdekken in dit leven.
Daarom heet mijn verhaal   “De Ontdekker “. En ontdekt heb ik best al veel ………
Ieders verhaal vertelt, dat je wel heel veel geluk moet hebben, dat je überhaupt geboren wordt op deze gevaarlijke wereld.

Het is  heel bijzonder dat wij hier nu allemaal zijn. Als je nagaat wat er allemaal mis had kunnen gaan en net even niet  geboren was op deze aarde.
Eigenlijk hebben wij allemaal de Jackpot gewonnen, al denk ik niet dat iedereen zo blij is met zijn of haar prijs.
————————————————– 0 ———————————————————-

Wat ik u nu ga vertellen is eigenlijk nogal Privé …….
Ons gezin bestond in mijn jeugd-jaren uit Vader Jan, moeder Christine, dan kwam Jacques de oudste zoon(ikke), met daarna Frederik, zus Gerarda en als laatste een broertje Rudolf. Mijn Opa aan vaders kant heette Jacobus. Mijn Oma’s heb ik beide nooit gekend omdat ze al zeer jong zijn overleden. Uit vertellingen weet ik een aantal zaken van hen die in mijn verhaal zullen terugkomen.
De Opa aan moeders kant heette Frederik.


DEEL I – GEBOORTEHUIS
Op 27 april 1951 werd ik geboren. We woonden in een straat met arbeiders gezinnen, haaks op een spoorlijn waar elke nacht de Chloortreinen in volle vaart langs denderden.

In ons huis woonden negen andere mensen samen met mijn moeder en vader.
Behalve mijn moeder rookten ze allemaal letterlijk als schoorstenen.
Mijn moeder mocht daarom fijn meeroken terwijl ze van mij zwanger was. Zelfs in bed werd er gewoon doorgerookt tot ze in slaap vielen.
Mijn Opa Jacobus bijvoorbeeld, heeft een keer zijn bed in de fik gestoken doordat hij rokend in slaap viel. De meeste van hen zijn er later ook vroegtijdig door heengegaan, maar dat terzijde.

Dit zorgde er voor dat mijn overlevingskansen al aanzienlijk daalden. Mijn aanleg was blijkbaar toch sterk genoeg om dit alles tot nu te overleven. Maar als u dit verhaal volgt, kunt u nog vele aanslagen opmerken.

Foto’s
Foto’s van mijn jeugd zijn er bijna niet. Althans ze schijnen er wel te zijn, maar ik heb ze nooit gezien. Mijn moeder vertelde dat een nicht van mij alle foto’s van de familie geconfisceerd heeft, inclusief de negatieven. Toen ik haar vroeg om enige scans of afdrukken voor mij te regelen, zei ze dat ze geen enkele foto bezat, maar dat  haar zus alle foto’s  heeft. Ik dacht toen, “Oh Ja.joh?!”  Laatst poste ze nog een pasfoto van mijn vader die ik nog nimmer was tegen gekomen naar een oom in Australië. Maar een paar heb ik er toch wel, die heeft ze eventjes gemist denk ik. Bijvoorbeeld een (zeer kleine) foto, welke ondanks dat deze wazig is en in zwart/wit/bruin gevlekt met rafels, zie je toch dat ik er op sta… met een pispot in mijn hand.
En ik keek nog blij bij ook…
1953 
Ja, zulke foto’s vonden de mensen vroeger erg grappig. Dat je later ziet hoe lullig je er bij stond, terwijl je nog nergens notie van had. Het liefst een foto van jou in je blote hol met een mini piemeltje. Niet dat het piemeltje later nog heel veel meer geworden is hoor. Maar verder totaal onbelangrijk dus.

Oma’s
Mijn Oma die daar ook woonde, maar dat was ver voor mijn geboorte, heb ik helaas nooit gekend.
Beide Oma’s waren al vroeg aan enge ziektes overleden helaas.
Hun vreselijk ziekten waren voor beiden een straf van god volgens de geestelijke vaders van de kerk.
Dus werden ze beide naar dat denkbeeld ook behandeld door hun vrome geestelijken.

Oma (van vaders kant) had MS en lag met een doorgelegen rug zeer lange tijd huilend te creperen. Door de geestelijke, welke gevraagd werd langs te komen om haar wat op te beuren en met haar te bidden, werd gezegd dat ze maar niet had moeten trouwen met iemand van een ander geloof. J Ja, Ja, dit is de straf van God!
Nou daar knapte ze een stuk van op zeg!
                                           
Oma (van moeders kant) kreeg ook een opsteker van haar pastoor.
Ze had maagkanker welke in het ziekenhuis werd behandeld door artsen die haar nieuwsgierig open  maakten,  in haar rond klooiden met wat gereedschap en daarna vol gooiden met jodium.

Ze heeft nog vele pijnlijke maanden  liggen bidden of ze alsjeblieft naar boven mocht komen terwijl opa Freek in de keuken stiekem met de huishoudster op tafel lag te krikken vertelde mijn moeder ooit. (Mijn moeder zat als kind onder de tafel te spelen, hoorde wat er gebeurde, maar durfde zich niet te verroeren totdat ze weg waren).

Mijn ouders hebben ons niet kerkelijk opgevoed, toch raar hè?

 

Er kwam  elk jaar  iemand van de kerk aan de deur als mijn vader jarig was.
Niet om iets te brengen of verontschuldigingen aan te bieden.
Nee hoor, maar wel om een bijdrage voor de kerk te vragen.

Als kleine jongen stond ik er een keer bij toen dat gebeurde.
Meteen weer een paar bijzonder fraaie uitdrukkingen aan mijn woordenschat kunnen toevoegen.
Maar soms gaf hij toch wel eens wat voor de kerk op zijn verjaardag. Bijvoorbeeld een ouwe knoop van een Jas of broek. Die vroeg hij dan meteen weer terug, want dat vond hij eigenlijk teveel.  Hij gaf dan een cent en zei dat dat beter gepast was in dit geval.
En deelde mede “Een knoop kost toch al snel elf cent en dat is mij iets te gortig”.

DEEL II – Opa Touwbaan
Opa Jacobus heeft ooit een touwbaan gehad in Gouda met als specialiteit dat hij behalve touw maken, als enige in de omgeving het hennep-touw kon verven.

Hij was een perfectionist hoorde ik van iedereen, maar kon behalve keihard werken ook urenlang ouwehoeren als het hem uitkwam.
Dat laatste heb ik dus van hem.
Heb ik toch nog iets goeds van mijn opa geërfd.

De andere inwonenden waren reeds vertrokken en opa was bij zijn dochter in gaan wonen. Het huis werd aan mijn ouders geschonken. Wel Jammer was dat het een huurhuis betrof.

Vijf jaar na de familie-verhuizing kwam opa Jacobus plotseling op bezoek, wat hij anders eigenlijk nooit deed.
Ik was heel blij dat opa zomaar eens op visite kwam.
Tjonge, ik dacht “hij vindt ons toch wel lief of zo”.
Maar hij kwam helemaal niet op visite.
Hij kwam bij ons inwonen, want zijn dochter Eefje had hem gezegd, nadat hij ziek was geworden en een poep-uitgang met stinkende zak op zijn buik had gekregen van een arts en opa niet veel poen meer had, dat hij maar bij ons in moest trekken.
En daarom stond hij dus plotseling bij ons op de stoep. Hij was gewoon weggestuurd door zijn lieve dochter.
Mijn ouders namen hem braaf in huis. Want zo ging dat vroeger.


In eerste instantie was ik heel erg blij dat mijn opa in ons huis kwam wonen. Maar het moment dat hij werkelijk binnenkwam weet ik mij ondanks mijn jonge leeftijd nog steeds te herinneren als de dag van gisteren.

Opa kwam binnen en ik had een speelgoed pistooltje in mijn hand waarmee ik hem direct  neerschoot. Hij stortte buiten verwachting niet ter aarde zoals opa’s dat horen te doen. Hij zei “ Best jongen, schiet mij maar dood. Mijn leven heeft toch geen zin meer. Schiet mij maar dood, dan ben ik er vanaf”.
Voor het eerst in mijn leven kreeg ik te maken met een zwaar gevoel van neerslachtigheid. Ik wist toen nog niet wat dat was, maar voelde het wel als iets verschrikkelijks. Het was veel erger dan een teleurstelling. Dus dat was mijn eerste  ervaring van tja,  iets sombers  dat ik nog niet kende, maar er zouden er nog veel meer komen bleek later. Intriest vond ik het.


DEEL III – DE VLIEGER
Nu  Opa bij ons thuis woonde hoopte ik dat hij een van zijn beroemde vliegers voor mij zou gaan maken, want er was mij verteld dat als hij voor iemand een vlieger maakte deze zo perfect in balans was, dat de vlieger totaal stil in de lucht kon staan.
Dat wilde ik wel eens zien. Maar helaas….. hij deed het niet, beloofde het wel telkens, maar deed het nooit.

Mijn vader maakte daarom voor mij een hele grote mooie vlieger.
Ik mocht er zelfs bij helpen, want dan kon ik het voortaan zelf ook. ?, Nou ja.
Jammer dat ik die vlieger niet in mijn eentje kon vasthouden.
Pappa liet de vlieger op en ik kreeg de klos met touw in mijn handen gedrukt en weg was ik. Mijn vader er achteraan. Hij kon nog net voor de bovenleiding van de spoorlijn mij vastgrijpen en de klos uit mijn handen trekken. Anders was dit verhaal nooit geschreven en was ik geëindigd als een hoopje rokende as. Ik was roken wel gewend, maar dit was te heftig voor mij geweest.
Telt u nog mee?
ER KOMEN NOG MEER VAN DIE MOMENTEN, LET MAAR OP!

DEEL IV – MIJN ALLEREERSTE HERINNERINGEN
Het allereerste dat ik van mijn leven kan herinneren is het volgende;
Ik wilde leren lopen toen ik nog geen zeven maanden oud was.
Raar dat ik dat nog weet, maar misschien komt het doordat ik vreselijk boos werd omdat het maar niet lukte.
Dat het een poosje later in mijn zevende maand toch lukte, kan ik mij niet herinneren. Maar dat weet ik dan weer omdat mijn moeder dat vertelde. Ook klopt volgens haar ook dat ik woedend werd als een poging tot lopen mislukte.

Mijn eerst volgende herinnering is de ontmoeting met een kennis van mijn moeder terwijl ik in een wandelwagen zat.
Ze stopte voor deze vrouw om mij te laten zien. De vrouw kwam met haar hoofd vlak voor mijn gezicht terwijl ze iets zei.
Wat ik daarvan nog weet is dat ik mij een ongeluk schrok van dat hoofd, waarop een enorme neus zat en recht voor mijn ogen hing.
Later heb ik die vrouw nog wel eens gezien toen ik wat ouder was. Het was inderdaad een angstaanjagende tronie.
Waarschijnlijk was ze heel lief, maar ik werd bang van haar.


links ben ik, rechts mijn broer.
3 en 2 jaar oud

Wij lijken om een of andere reden totaal niet op elkaar.
Een beetje als Stan Laurel en Oliver Hardy

Drie jaar was ik, toen ik onder stroom kwam te staan doordat ik aan het prutsen was met  een sierhaardje op de schoorsteenmantel.
Vroeger was dat een ding dat men bijvoorbeeld op de schoorsteenmantel zette met een brandend lampje achter rood glas er in dat op vuur leek. Het zag er uit als smeedijzer in zwart en grijs.
Tegenwoordig zou dat bijvoorbeeld bij de Action te koop kunnen zijn, maar mijn vader maakte deze dingen voor zijn broer Henk die ze op de markt bracht.
Het stond bij ons ook op de schoorsteenmantel mooi te zijn en ik kon er bij door op een stoel te klimmen.  Ik kreeg de stekker met veel moeite in de wandcontactdoos, maar het ging niet aan.
Er zat niet eens een lampje in zag ik toen. Ergens in de woonkamer vond ik een zaaklantaarn-lampje en probeerde dat er in te doen.

Plotseling ging er een enorme schok door mij heen waarbij de stekker en het snoer door mijn reactie uit het stopcontact werden gerukt.
Ik rende direct naar mijn moeder in de keuken omdat mijn rechter hand maar bleef samentrekken.
Kijk mam zei ik, mijn hand kan vanzelf bewegen. “ Wat heb je gedaaaan!”, riep moeder  geschrokken.

OORONTSTEKING
Nog een paar kansen op vroegtijdig uitstappen die u ook rustig mee kan tellen.

Keer op keer had ik last van een chronische oorontsteking die ik vanaf mijn geboorte had meegekregen. Na een operatie waarbij ik bijna het loodje liet, mocht ik nog weer even verder.
MOLENTJE

Een andere keer was het dat ik bijna stikte in een stukje  Celluloid(eerste thermoplast) van een windmolentje waarop ik liep te kauwen. Mijn moeder zag mij buiten staan en ook dat ik blauw aanliep. Met twee vingers in mijn keel haalde ze het stuk kunststof uit mijn luchtpijp.

DEEL V – HET POEPKASTEEL
Mijn broer was net twee jaar geworden.
Wat ik mij nog herinner is dat hij telkens als hij op zijn gat vooruit schoof, hij ook telkens wat keutels verloor.
Ik verzamelde deze en maakte een hoopje ervan (ik was drie).
Mijn broertje begon er mee te spelen en samen bouwden wij er toen een soort lego kasteel van.
Wij waren er al een poosje samen heerlijk mee aan het spelen toen ik plotseling beet werd gepakt door mijn vader die boze dingen tegen mij zei.
Blijkbaar vond hij het geen goed idee en achtte mij er verantwoordelijk voor. Dit kan ik mij nog duidelijk herinneren en ook dat ik niet begreep wat ik fout deed.
Nog niet zo lang geleden hoorde ik in een radio-programma, dat als kinderen dit doen, je ze niet mag bestraffen en ze even hun gang moet laten gaan.
Het is gebleken dat kleine kinderen een hoger IQ ontwikkelen als je  ze even laat spelen met hun uitwerpselen.
Nu is duidelijk waarom er niets van ons is terecht gekomen……

Wat ook al niet mocht? Tafeltje draaien.
Dat was denk ik op vierjarige leeftijd. Mijn moeder zette elke week de meubels in de was.
Zo ook een tafel met een mooi glad ovaal tafelblad.
Als mijn moeder even naar de keuken was nam ik de gelegenheid om eens eventjes lekker keihard met mijn buik op de gladde tafel rond te draaien. Ik trok mij dan rond met mijn handen om de tafelrand.
Als ze dat ontdekte moest ik hard lopen om een pak slaag te vermijden.
Dat ronddraaien zorgde namelijk voor nogal wat krassen in het blad door mijn rits of knopen.

DEEL VI  –  IK OOK OKKEDOK
Dit is mij door mijn vader verteld, want ik kan het mij zelf niet herinneren.
Ik zal een jaar of twee geweest zijn.
Vader maakte  bijna alles zelf omdat geld meestal ontbrak.
Wat hij die dag maakte weet ik niet, maar er viel een dik stuk multiplex op de grond terwijl hij aan het zagen was.
Het had de vorm van een grote Z .
In de vijftiger jaren van de 19e eeuw liepen er heel wat paarden door de straat en klaarblijkelijk zag ik een paard in dit stuk hout.
Tijdens het spelen maakte ik paardengeluiden en zei “OKKEDOK – OKKEDOK”,  als ik het paard liet lopen.
Waarschijnlijk het geluid van paardenhoeven.
Mijn broertje begon toen hard te huilen.
Mijn vader vroeg wat er was. “Ik ook Okkedok”, riep hij toen.
Dat was even lastig want er was maar 1 stuk in deze Z-vorm.
Maar hij bedacht dat hij het in de lengte door kon zagen en zodoende hadden we ieder een eigen Okkedok…

DEEL VII – Mijn Ouwe Opa
Nu weer even over mijn lollige opa die was komen inwonen.

Opa Jacobus was de man die mij , als mijn moeder in de keuken was, mooie verhalen vertelde over vroeger, vooral over de tweede wereldoorlog. Hoe mensen gemarteld werden en hoe ze op een rijtje werden gezet, doodgeschoten en in een grote kuil vielen.
Over concentratiekampen, hoe er mensen werden vergast.
Hoe tegen hen werd gezegd dat ze gingen douchen en er geen water uit kwam maar gas.
Ja, mooie verhalen voor een klein kind. Kon ik weer lekker slapen die nacht.

Omdat mijn moeder niet wist waarom ik niet kon slapen, telkens riep dat ik niet dood wilde en constant nachtmerries had, concludeerde een arts dat ik waarschijnlijk de school niet kon bijbenen en maar naar een langzame leerschool moest.
Daartegen heb ik mij toen hevig verzet, want deze was vlakbij in het park en werd de park-HBS genoemd. Of langzame leerschool.

Uiteindelijk heb ik dan toch maar bekend dat het door opa’s verhalen kwam. En eigenlijk heel graag hoorde omdat het ze zo spannend waren.

Ik heb daarna nog zeker twee jaar bij dokter Van der Wiel (zenuwarts)gelopen. Slikte Valium van die arts om te kunnen slapen. Ja ze gaven kinderen toen Valium. Ik vond het zelf wel Kek spul. Het werkte erg bevrijdend, want ik zei tegen volwassenen wat ik van hen dacht, wat weer niet erg op prijs werd gesteld.
Maar ik weer sliep goed en voelde mij in ieder geval wel kiplekker.

Verder moest mijn moeder ‘s avonds goed eindigende sprookjes voorlezen en mijn opa moest zijn mond houden van de arts.

DEEL VIII – DE EETWEDSTRIJD
Rond mijn tiende jaar deden we een eetwedstrijd aan tafel waarbij ik bijna het loodje legde omdat ik zowat stikte in een groot brok aardappel. Gelukkig kreeg mijn moeder het er weer net op tijd uit door de lucht uit mijn longen te drukken van achter af.
De aardappel schoot toen uit mijn luchtpijp. Deze vrouw heeft trouwens heel vaak mijn leven moeten redden. Zelfs een keer met een bezem (toen ik drie was) omdat ik probeerde voor een stel langskomende paarden met grote wagen over te steken. Dus weer een momentje dat ik dit verhaal niet had hoeven schrijven. Nummer vijf of zo? Ik hou nu zelf op met tellen, maar u kunt zelf bijhouden welke ik alweer vergeten ben.

Nog even over het humeur van Opa Jacobus.
Hij was altijd in mineur omdat hij nog steeds rouwende was na vele jaren. Hij had zijn dochter eens naar school gestuurd, ondanks dat ze telkens klaagde over hoofdpijn. Hij dacht dat ze schoolziek was en zei “ hou op met dat geneuk (de toen heel gewone uitdrukking als iemand vervelend was) en ga naar school”. Een paar weken later overleed ze aan een hersenvliesontsteking. Dat is hij nooit te boven gekomen en viel ook nog eens samen met de te vroege dood van zijn vrouw na een slepende ziekte.

Enig begrip heb ik later wel voor hem gekregen, behalve dan dat hij er een kleine jongen mee opzadelde.
Gelukkig zonder trauma kwam de kleine jongen er mee weg. Van de zieke oma heb ik weinig uit de familie vernomen, behalve dan dat ze uit een rijke familie kwam van slagers met teveel poen.
Hoe rijk ze ook waren, ze hebben haar nooit gesteund omdat ze met iemand van een ander geloof trouwde. Verder heb ik een heel kleine  foto van haar gevonden met de tekst erop, “Het haar meer golvend maken”. Geen idee waarom dat er op staat.


Veel heeft ze van haar familie moeten verdragen toen ze nog thuis woonde. Als er controle kwam en wilden weten hoe er geslacht werd, hadden ze een trucje om de controleur te misleiden.
De brave man kwam binnen en zag geen vlees hangen dat er niet mocht zijn.

De truc was dat de man daar zelf voor zorgde. Het uit te benen karkas hing achter een deur. Als er iemand aan kwam zorgden ze dat ze zelf weg kwamen en als de deur open ging verdween het karkas in een kast. Dus de deur van de toegang was ook de deur van de kast. Op die deur stond “BEZEMKAST”.
De controleur had dit trucje niet door omdat hij deze tekst zag als hij binnen was en echt dacht dat er schoonmaakspullen achter stonden.
Dit verhaal vertelde mijn vader aan mij omdat het indruk op hem had gemaakt.
Verder vertelde mijn vader ook dat haar moeder, dus zeer oude oma van mijn vader en mijn overgrootmoeder, hem als kind boodschappen voor haar liet doen en houtjes hakken voor de kachel omdat ze zelf niet uit huis kon.
Telkens als hij dat gedaan had kreeg hij een gulden voor de moeite. Die gulden was voor mijn oma een vermogen in die tijd en daarom kreeg mijn vader een ander mooier muntje als hij die gulden met haar ruilde. Wat hij kreeg was vijf cent waard.
Verder vertelde hij dat zijn oma is gestorven zoals ze heeft geleefd. Ze had zelfs in de warme zomer de kachel hoog aan. Mijn vader moest voor haar deze kachel altijd brandende houden, want ze had het altijd steenkoud. Ook al vielen de mussen van de hitte uit de dakgoot. Waarschijnlijk vergevorderde aderverkalking en zodoende een slechte bloedsomloop.
Op een keer is ze zo dicht tegen de kachel gekropen dat ze levend is verbrand.
Later heb ik pas beseft wat hij zei over haar.  Dat ze is gestorven zoals ze heeft geleefd.
Met andere woorden, het was niet zo een beste.

Over het huishouden heeft hij verder nog verteld  dat hij zijn werkgeld thuis moest afgeven en als dank daarvoor zijn vaders pak mocht lenen als hij uit ging.
Ze hadden thuis een huishoudster omdat alle kinderen inmiddels werkten of het huis uit waren. Ze werd vieze Kee genoemd. Ze heette Kee, dat snapte ik wel, maar toen wilde ik weten waarom dat vieze er voor werd geplaatst.
Mijn vader vertelde dat ze het niet erg nauw nam met hygiëne.
Als bijvoorbeeld de suikerpot op de vieze houten vloer viel waar iedereen met zijn vuile schoenen van buiten kwam, werd alles met een bezem gewoon bij elkaar geveegd en terug in de pot gestopt. Dus het kon voorkomen dat er bijvoorbeeld een schaam of andere haar in je thee of koffie dreef. Er waren nog meer mooie voorbeelden, maar deze zal ik een ieder besparen.

Dat waren zo ongeveer mijn grootouders van vaders kant.
Er schiet mij vast nog wel meer te binnen als ik verder vertel.
Maar dat bewaar ik voor het tweede deel.

DEEL IX – OOMS EN TANTES
Ooms en tantes.
Ja dat waren ook heel aparte wezens.
Mijn Tante Eefje kreeg deze naam van haar dode zus. Haar vader nog altijd rouwende om zijn kleine Eefje gaf haar dezelfde naam in de hoop dat hij er iets goed mee maakte tegenover het overleden kind. Alleen had dit meisje niet het lieve karakter van zijn eerste meisje. Maar verwende haar wel tot op het bot. Alles was voor Eefje. Ze regelde toen ze ouder werd het huishouden. Ze ging dus ook over het huishoudgeld. Wat ieder inbracht aan kostgeld verdeelde zij onder de armen. Helaas wel haar eigen armen.
Mijn moeder, die er ook woonde toen mijn vader in Indië zat wegens een oorlog waar hij voor opgeroepen was in 1945, kon mij vertellen hoe ze dat deed. Er bleek een kast in huis te zijn waarvan alleen zij de sleutel had en die bewaarde ze in haar onderbroek.
Die kast kreeg zij per ongeluk een keer vanbinnen te zien toen Eefje niet merkte dat mijn moeder binnenkwam en de kast nog open stond. Ze had een hele rij glazen potjes die uitpuilden van het geld. Ze deed snel de kast dicht toen ze door had dat mijn moeder was binnengekomen. Maar moeder had het al gezien. Zo spaarde zij dus voor haar nieuwe woning en haar uitzet. Zo zag ze ook waar Eefje de sleutel bewaarde. Een kluis of spaarpot met een gleuf.

DEEL X  – Thuiskomst vader
Toen mijn vader terug kwam van zijn militaire dienst  uit Indië, woonden ze allemaal nog in ons ouderlijk huis alwaar ik na mijn geboorte zoals al verteld, ik verwelkomd werd met een dikke mist van rook, alwaar ik met mijn nog prille tere longen een stuk uit mocht happen.
Gelukkig gingen ze daarna één voor één het huis uit.
Tante Eefje als eerste, want ze had genoeg gespaard om te kunnen trouwen en een huis te regelen.
Een jaar daarna kreeg ik een broer. Het jaar daarop nog een, maar die hield het maar drie uur vol. Dat was zijn geluk, want mijn moeder vertelde dat hij door een foute resusfactor lichamelijk voor altijd volkomen invalide zou zijn als hij was blijven leven. In die tijdsperiode  werd er nog niet tegen ingeënt.
Omdat mijn ouders daar goed van waren geschrokken, zijn ze pas weer aan een kind begonnen toen dat wel het geval was. Het werd een zus. En drie jaar later kwam er nog een broer, maar dat was onbedoeld, maar toch welkom.
Hij werd op vrijdag de dertiende geboren en ik heb nog nooit zo een mazzelpik meegemaakt. Wat nou vrijdag de 13e ongeluksdag!

Met mijn eerste broer heb ik het langst opgetrokken.
Wij waren een soort tegenpolen. Wat we ook deden het liep altijd uit op huilen. Zelfs nog op volwassen leeftijd.
Mijn zus heb ik niet zo bewust meegemaakt als kind omdat we tien jaar in leeftijd schelen. Alleen de tijd dat ze baby was zie ik nog helder voor mij.  Ze huilde erg veel. Ze werd blij van ijsbekertjes waarmee ik haar liet spelen. Dan was ze weer een poosje geamuseerd.
Maar zelfs nu zie ik haar nog niet vaak. Waar dat aan ligt weet ik niet. We hebben totaal geen ruzie of zo. Maar onze familie is zeker niet familieziek en zoeken elkaar niet vaak op.

Mijn jongste broer heb ik een jaar in huis gehad nadat mijn vader al jong overleed en mijn moeder met een waardeloze vent in Rotterdam is gaan wonen. Hij wilde niet mee naar Rotterdam en hij was nog iets te jong voor een eigen huis.
Die vent waar mijn moeder mee vertrok was een enorme hondenlul wat mij betreft. Mijn moeder is door zijn toedoen ook veel te vroeg overleden. Als ze ergens last van had of grieperig was, ging hij doktertje spelen. Gaf haar medicijnen die hij voor zijn hartkwaal had aan haar. Hij was niet alleen een klootzak, maar ook nog eens berekenend en vijandig.
Het was dus niet alleen dat hij mijn vader dacht te vervangen, maar ook nog eens omdat hij onsympathiek was waardoor ik hem niet mocht.
In dat fijne Rotterdam heb je daarbij ook nog eens van die joviale trambestuurders die niet op oude mensen wachten tot ze zitten of zijn uitgestapt.
Bij het instappen vloog ze tegen de grond omdat ze nog stond en een plaatsje zocht en bij het uitstappen gingen de deuren te vroeg dicht zodat ze aan haar armen werd meegesleurd en ze beiden ook nog brak daardoor.
Daarna in het ziekenhuis liep ze ziekenhuisbacterie op waardoor ze een dodelijke longontsteking opliep.
Haar weerstand was zo laag dankzij de hulp van haar vriend de thuisdokter dat ze stikkend is heengegaan.
Hij had bij de begrafenis van moeder geregeld dat wij niet bij haar konden komen tijdens het afscheid. Achteraf had ik slimmer moeten zijn en dat moeten voorkomen. Maar zo zit ik dus niet in elkaar en was er daardoor niet op bedacht. Mijn broers en zus ook niet.
Zodat hij achter onze ruggen lekker zijn gang ging.
Familie keek er ons zelfs op aan en dachten dat wij niets om onze moeder gaven en achteraan moesten aansluiten bij gewone bezoekers.
Naderhand stuurde hij mijn broer nog een mooie kaart met een middelvinger er op vanuit Engeland, want mijn moeder had nog geld en daarvan waren hij en zijn zoon fijn op vakantie gegaan.
Jammer dat ik hem niet meer tegenkom, want ik reageer nu heel anders op zulke lieden.

Maar nu dit verteld te hebben even verder met mijn verhaal.
Mijn jongste broertje zag het niet zitten om bij die engerd in te gaan wonen en kwam dus bij ons inwonen. Na een jaar of anderhalf had hij verkering met een meisje en ging daarmee samenwonen. Hij was net 18 geworden toen. Ook deden we later wel dingen samen zoals een auto opknappen en dergelijke. Maar daarover later meer.

DEEL XI – OPA VISSIE
Nu over mijn vader, moeder en de andere grootouders.
Ja, klopt. Ik spring van de hak op de tak.
Mijn moeder was de dochter van een visboer en boerin met de naam Scharleman in de Kuiperstraat te Gouda.
Ze hadden een eigen viswinkel in Gouda, evenals de broers van Opa, maar dan in het centrum.

Opa Freek (door ons opa Vissie genoemd) zat de meeste tijd langs de weg en verkocht zijn vis ook langs de deur bij de mensen thuis.
Dat zie je tegenwoordig hier niet meer.
Hij  had eerst een Paard en wagen.

Later een met benzinemotor aangedreven bakfiets of motorcarrier zoals op de foto hier onder is te zien.

Mijn oma was volgens iedereen de liefste en de meest zachtaardige vrouw die ze kenden in Gouda en omstreken. Jammer dat ik die nooit gekend heb.
Mijn moeder moest al jong, net als haar zussen helpen in de winkel en kwam zodoende niet verder dan de derde klas van de lagere school. Ze werd tijdens een les zo uit de klas meegenomen door haar vader, want hij had hulp nodig in de zaak.
Dat ze toen niet meer naar school mocht vond ze op oudere leeftijd wel jammer. Ze was een hoop kennis tekort gekomen waar ze blijvend last van had. Maar op haar jonge leeftijd vond ze het helemaal niet erg, want op school werd haar vaak pijn gedaan door haar leraar.

Deze man kreeg ik nota bene later ook als leraar en het was inderdaad een klootzak. Mijn Opa heeft hem eens een goeie klap uitgedeeld toen mijn moeder thuis kwam met een half afgescheurd oor. Hij had haar aan haar oor over de gang gesleurd toen ze niet direct deed wat hij wilde. Opa kwam verder nooit in die school, maar hij vond die dag dat hij toch maar eens kennis met de leerkracht moest gaan maken. Hij vroeg, “bent u de heer van der Vlist?
Hij zei”ja”. Met een ferme klap lag hij beneden.
Helaas heeft die knakker de val van de trap overleefd, zodat hij het mij en mijn broer ook nog lastig kon maken op school. Zeker toen hij hoorde wie mijn moeder was. Hij heeft  zijn gram kunnen halen bij ons.
Het heeft er wel voor gezorgd dat ik een hekel kreeg aan school, wat mij zelfs op latere leeftijd nog achtervolgd heeft doordat ik twee jaar later van school kwam dan de bedoeling was. Dus slaan is nooit goed.
Ik spijbelde wanneer het maar kon en bleef daardoor ver achterop met mijn leerstof. Maar ik heb in die periode wel goed leren vissen in de Breevaart.

Mijn moeder liep altijd te zingen.

Ze vertelde mij eens dat ze eigenlijk zangeres had willen worden, maar dat mocht niet van thuis, omdat ze in de zaak moest werken. Ze kon inderdaad heel mooi en zuiver zingen. Ze oefende vaak toonladders tussendoor en zong klassieke aria’s.
Muziek maken is ook mijn passie als enige van haar kinderen.
Dus dat zal ik wel van haar hebben geërfd. Alhoewel mijn vader ook zong en goed mondharmonica kon spelen.

DEEL XII – Meisjes konden vroeger niet leren….
Haar broer Paultje, en enige jongen in het gezin, hoefde niet te helpen want hij was een jongen en moest daarom studeren voor zijn toekomst. Vrouwen konden vroeger niet leren schijnt het en waren wel weer handig in het huishouden, boodschappen doen en in de winkel. Er was toen nog geen leerplicht. Dus werkten veel kinderen al jong mee in het bedrijf van hun ouders. Deze kinderen( vooral de meisjes)  moesten vis schoonmaken, haringtonnen sjouwen en bestellingen rond brengen. Dat laatste ging wel eens verkeerd.
Mijn opa had voor iedere klant een bijnaam. Voor mijn moeder was niet altijd duidelijk hoe bepaalde klanten nu echt heetten. Zo kwam het dat sommige klanten niet meer bestelden. Er was een klant die altijd naar de wc moest als hij in de winkel kwam. Als hij geweest was stond er altijd honderd elf op de muur. Ik vroeg haar waarom stond er altijd honderd elf?

Mijn moeder zei dat hij geen Wc-papier gebruikte maar zijn vingers die hij op de muur afveegde. Dus die kerel had ze onbedoeld snel weggewerkt. Ze had op het pakje geschreven “mijnheer 111 op de muur”. Een andere klant werd Jan Prukkie genoemd.
Daarvan wist mijn moeder echt niet dat het zijn naam niet was.

Maar mijn opa kon er zelf ook wel iets van. Op een dag kwamen er tussen de middag schooljongens zoals wel vaker een visje kopen. Maar deze keer hadden ze een andere bestelling. Ze konden van het lachen niet uit hun woorden komen en toen haar moeder vroeg wat ze nu eigenlijk wilden, zeiden ze “dat wat op de etalage staat, dat willen wij hebben”.
Mijn opa was niet zo best met taal blijkbaar. Hij had met grote letters op de winkelruit gezet ”Heden gebakken KUT”. Moest natuurlijk “gebakken KUIT” zijn, maar dit vonden ze lekkerder zeiden de jongens. Toen mijn moeder toch over mijn opa aan het vertellen was zei ze “ hij had wel meer dingen die je niet vergeten kunt, zoals die keer in de oorlog dat hij voor zijn vrouw zelf een korset maakte van auto binnenbanden.
Zijn vrouw wilde het absoluut niet passen, want ze dacht dat het veel te klein was. Opa zei toen dat het kon rekken en zou het wel even voordoen. Zodoende trok hij het korset aan waar iedereen bij stond. Iedereen lag eerst helemaal blauw van het lachen, maar toen hij ook blauw werd hebben ze hem zo snel mogelijk bevrijdt.
Ze zei nog, wat ging die tekeer toen hij er niet uit kon komen ha, ha ,ha.
Die handige opa is tot op hoge leeftijd blijven werken met zijn viskar langs de weg. Iedereen kende hem en zijn gewoontes en uitvindingen. Liet zich soms in natura betalen voor de vis. Zodoende hoefde mijn schoonmoeder (vertelde ze ooit aan mij) nooit meer vis van hem. Als hij vis verkocht aan rooie Tonia (de hoer van het dorp) mocht hij altijd even een kwartiertje binnenkomen.
Mijn moeder vertelde dat hij nooit verder dacht dan de dag van vandaag. Morgen zag hij wel weer wat er kwam. Zodoende zag hij kans naar een jarig familielid te reizen in Rotterdam. Dat ze dat af en toe aan het bombarderen waren vond hij geen bezwaar. De hele familie ging in de viskar met motoraandrijving en zo naar Rotterdam. Er gebeurde net als hij al verwachtte helemaal niets onderweg of in Rotterdam.

Toen ik nog thuis woonde is opa Vissie na zijn zes en tachtigste jaar toch maar met pensioen gegaan. Hij kreeg staar en werd geopereerd. Dat is alles wat hij ooit gemankeerd heeft. Dus elke dag een paar borrels, pakjes sigaretten, een dikke buik eten van de vette vis en buiten de deur neuken kan zorgen dat je heel gezond, heel oud wordt (96).
Hij maakte in die tijd ook wel leuke dingen voor iedereen die hij aardig vond. Hij had nu tenslotte alle tijd nu hij niet meer langs de weg zat.
Niet iedereen was er even blij mee kan ik je uit eigen ervaring vertellen. Als je eens logeerde mocht je douchen in de bijkeuken.
Er zat helemaal geen douche in dat huis, maar hij maakte er, handig als hij was, zelf wel een. Hij had namelijk een gieter opgehangen aan een touwtje en als je daaraan trok kreeg je een ijskoude straal water over je rug. En je stond het toch al af te niften van de kou, want het was in de bijkeuken net zo koud als buiten. Het was eigenlijk een onverwarmde serre aan de achterkant van het huis. Iedereen zag dan ook nog eens je blote reet als ze aan de achterkant naar buiten keken. Kon je ook nog eens gaan roepen om een handdoek die hij zou brengen , maar vergeten was. Duurde dan even zodat je helemaal verkleumd naar binnen mocht. Daar was het dan wel weer lekker warm zodat je er extra van genoot. Kou is goed voor je longen zij hij. Afwisselen warm naar koud en dan weer warm zorgt voor de bronchiën was de boodschap.

DEEL XIII – Opa Vissie 2
Mijn Opa Vissie was eigenlijk heel rijk, maar zijn vrouw, mijn stiefoma, beheerde het geld en sluisde dat aan het eind van haar leven door naar haar eigen familie zodat er niets meer voor ons was.
Ze leefden alsof ze helemaal geen cent te makke hadden daardoor.

Opa Vissie maakte leuke windmolens. Tenminste, dat vond ik als kind en rasknutselaar. Eigenlijk knoeide hij nogal en was dingen maken niet echt zijn specialiteit.
Hij had er eentje op onze schuur achter het huis geschroefd. Hij wilde mijn moeder en de kinderen weer eens blij maken met een zelfgemaakt product waar hij nogal trots op was.
Het koelere ding was oerlelijk geverfd en gemaakt van ongeschaafd waaibomenhout want het mocht natuurlijk weer eens niks kosten.
Totaal uit balans  maakte het ding een vreselijke herrie als de wind een beetje aantrok. We kregen klachten van de buren dat ze niet konden slapen van de herrie af en toe.
Mijn vader beloofde het gevaarte persoonlijk van het dak te halen. Maar dat was al niet meer nodig, want de oerdegelijke constructie van mijn opa, waaide finaal van de schuur en bij de achterbuurman (door mijn vader DE NEUS genoemd) door de glazen ruit van de serre. “Zo” zei mijn vader, “daar zijn we mooi vanaf”.
Die buurman durfde  geen verhaal te komen halen, want die jatte regelmatig gereedschap van mijn vader uit onze schuur als wij de deur weer eens lieten open staan tijdens het spelen achterom.
De man ontkende altijd dat hij wat van ons had, maar kinderen uit de straat hadden hem al een paar keer betrapt. Daarom mochten wij gereedschap terug stelen als mijn vader in de fabriek werkte, zodat mijn vader altijd een alibi had.

En als hij toch durfde te klagen…wist hij ook van niets en zei dat zijn kinderen zulke dingen niet deden.

Mijn opa maakte ook mooie schilderij-lijstjes welke mijn vader absoluut niet in de kamer wilde hebben. Maar hij was er zo trots op dat mijn vader toch maar toe gaf aan mijn moeder die het wilde ophangen. Opa Vissie demonstreerde mij hoe hij die lijstjes maakte.
Vond ik toen machtig interessant. Hij nam een oud lijstje van een stapel welke met goudverf was onder gesmeerd. Dan pakte hij een brandende kaars en brandde het lijstje om de vier of vijf centimeter zwart. Daarna deed hij er vernis over en klaar. Had je een soort gouden tijger of zeebra-lijstje dat kleefde en stonk.
Schilderij of foto er in en KLAAR!
Dat zijn schuur bijna afbrandde zat hij niet zo mee. Eerst gebruikte hij namelijk een brander , maar dat ging fout.
Opa was vergeten in zijn enthousiasme dat de brander nog aan was toen hij hem neerlegde.

Een andere keer had mijn opa een voetenbankje voor mijn moeder gemaakt. Daar was ze toch blij mee…. Het kostte haar drie keer een stel nylons. Toen ze eens goed keek zag ze dat er spijkers door staken en het hout vol met splinters (ongeschaafd) was.
Opa keek niet zo krap als hij wat maakte.
Toen Opa 94 werd en zijn vijfde vriendin dood bleef, vond hij het welletjes en zei “ Ik ga voor de TV zitten en wacht tot ik dood ben”. Dat heeft hij nog bijna twee jaar volgehouden, want een dag voordat hij 96 jaar zou worden hield hij er plots mee op. Hij was in zijn slaap vertrokken. Mijn vader zei eerder ” ik verwacht dat hij een keer dood wakker zal worden als hij 100 is. Die man heeft altijd geluk gehad”.

DEEL XIV – Politie-1
Toen ik zestien werd kwam ik mijn nieuwe tweedehands gekregen bromfiets laten zien. Ik kreeg toen zijn leren motorpetje, zo’n leren kap met een luxe motorbril. Die bril had zelfs zonneklepjes die omlaag en omhoog konden. De helm was toen nog niet verplicht en stoere jongens reden allemaal zonder helm. Nu zie je van die bromfietsclubs met Solexen, Zündapps en Puchjes rijden met lui in lange leren jassen en Willempie helmpjes op. Vroeger reden alleen bangertjes en oude mensen op een Solex. Die waren te bang om op een snelbrommer te rijden en hadden meestal wel zo’n lullig helmpje op met leren bandjes aan de zijkant.  Nou die hadden in onze tijd alleen de oude lullen en bange lulletjes.
Dus wij echt nooooit! Wat dat betreft is de geschiedenis slecht vastgelegd mijns inziens.
Ik rijden zeg, met mijn opa’s spullen op mijn hoofd en werd natuurlijk prompt aangehouden door twee grote agenten in een voor hen veel te klein VW-kevertje. Ja het was inderdaad geen gezicht.
Dat petje van mijn opa kon echt niet, maar wel lachen, iedereen keek mij lachend na!
Wij vonden agenten in een Porsche de enige klabakken die we serieus namen behalve eentje dan.
Die noemden we de Pikkenees. Als die je te pakken kreeg had je ook meteen een pak slaag met een gummiknuppel te pakken.
Die twee agenten van zo-even, kwamen niet meer bij van het lachen en wilden er wel meer van weten.
“Zo jochie, ben jij wel zestien?
“Oh ja”,ik liet mijn geboortebewijs zien dat ik altijd bij mij droeg omdat ze mij altijd voor jonger aanzagen.

“ Is dat de nieuwe mode joh? Dat daar op je hoofd?”
” Nee, maar ik doe mijn opa een plezier. Hij heeft dit 60 jaar gedragen op zijn motorcarrier”. “Hij is de beroemdste visboer op wielen van Gouda en omstreken” .
“Ja die kennen wij wel” zei een van de agenten.

“Nou doe maar af, want anders veroorzaak je nog ongelukken doordat je mensen afleidt in het verkeer“.
Niet van, “kun je niet beter een helm dragen”, want daar had toen nog niemand het over. Net als dat mensen achterin een autobusje zaten op klapstoeltjes als er te weinig zitplaatsen waren. Mag nu ook niet eens meer. Raar zeg!
“De groeten aan je opa hè”.
Ja de groeten, dacht ik. Ik moest lachen, want die ene agent die niets zei kende ik nog van een poosje terug.
Ik reed toen op mijn brommertje over een landweg met een onbewaakte spoorovergang. Daar was een boer bezig een hele kudde koeien te laten oversteken. Achter mij naderde een politiewagen waaruit twee agenten sprongen. De ene was de agent die ik kende van daarnet. De andere agent liep op de boer af om te vertellen dat het levensgevaarlijk was en snel moest maken dat hij wegkwam met zoveel koeien. De andere stond net voor mij achter de laatste koe.
Ik zag de koeienstaart langzaam omhoog gaan. Dat betekent bij insiders dat je even een stap  opzij moet doen.
Die agent wist dat blijkbaar niet als stadsagentje.
Die koe scheet een grote dikke straal groene stront over zijn borst en buik en een paar spetters rond zijn neus.

De andere agent had het niet door totdat ik hard begon te lachen. Hij kwam toen boos op mij aflopen en dus ik keerde snel om en er vandoor.

Weer Politie
 Het volgende voorval doet mij denken aan een voorval tijdens een brommer ritje toen ik bijna thuis was.
Ik kwam op mijn Puch brommer met een noodgang de bocht om bij de Krugerlaan en KLABAM! Stond ik met mijn voorwiel bovenop de neus van een politie Kevertje.
Gelukkig geen schade. Maar de heren wilde wel even weten of ik altijd zo de bocht om kwam. Meteen mijn geboortebewijs weer laten zien, want ze dachten dat ik twaalf was of zo. Mocht zonder boete verder. Dat was ook wel eens anders. Namelijk toen ik mijn jongste broertje Rudie achterop had en zo hard mogelijk bochten nam door de hele binnenstad van Gouda. Bij het stoplicht voor de Tiendewegbrug werd ik door de politie staande gehouden.
“Zo, jongeman, Dat ging lekker snel hé?”
“Ja, dat is best mogelijk “,zei ik.
Hij ging verder, “We konden je namelijk nauwelijks bijhouden met de auto”.
Toen ging die agent verder met “en wat doe je de volgende keer?”.
Hij verwachtte dat ik zou zeggen “Nooit meer doen”.
Maar mijn broertje was mij voor en zei “Beter in de achteruitkijkspiegel kijken hé? “.
Nou, toen had ik meteen een dikke boete te pakken dankzij hem. Moest van mijn moeder geld lenen om die boete te kunnen betalen….

 Deel XV – Broertje Rudie
Oh ja, ik zou nog iets meer vertellen over mijn jongste broertje Rudie.
Ja wij hadden best veel lol al schelen wij 13 jaar in leeftijd.
Hij was als kind altijd vrolijk en blij. Wilde altijd stoeien en met je spelen.
Lef heeft hij ook altijd gehad. Ik zal er een voorbeeld van geven;

Vader had een redelijk zware luchtbuks waar ook wij soms ook mee mochten schieten als hij er bij was.
We schoten dan kastanjes uit onze kastanjeboom.
Ook zette hij wel een oude conservenblikjes neer om om te schieten. Het geweer was zo krachtig dat je de bodem er soms mee uit kon knallen. Geweldig vonden wij jongens dat en mijn zusje mocht ook mee doen.
Helaas moest mijn vader heel veel werken en overwerken.
Ook zelfs op zondag omdat de baas vond dat het nodig was. Dus wij als jongens hadden vrij spel doordat moeder ons eigen gang liet gaan.
Ze was vaak in de stad of bij buurvrouwen aan het kletsen of boodschappen aan het doen. Ze ging dus graag de deur uit.

Op een dag vroeg Rudie of we gingen schieten. Mijn oudste broer en ik vonden het een goed idee. Maar doordat de leiding van ons vader ontbrak gingen we steeds verder met dingen verzinnen om op te schieten.
Uiteindelijk stond ons jongste broertje met een blikje op zijn hoofd en rug tegen de schuur als schietschijf. We schoten het blikje van zijn hoofd en zelf vond hij het prachtig. Als we het eraf hadden geschoten ging hij het snel oprapen en zette het weer op zijn hoofd. Dat er niets is gebeurd is puur geluk geweest.

Later bleek toch dat Rudie het beste kon leren van ons allemaal, zelfs op universitair niveau. Mijn vader dacht altijd dat hij de domste was van het stel, omdat hij altijd van die domme streken uithaalde.
Hij heeft hem totaal onderschat bleek later.
Maar volgens mij zocht hij het avontuur en had (meestal) verkeerde vrienden.

Ooit ging hij met die vrienden van hem naar de duinen alwaar ze over het prikkeldraad gingen om in de bunkers te gaan kijken.
Bleek dat er een vermoord meisje lag waar ze al een poos naar op zoek waren. De jongens dachten dat de moordenaar er nog moest zijn en werden zo bang dat ze er als een haas vandoor gingen en terug naar huis zijn gereden. Omdat ze op verboden terrein waren geweest, durfden ze het niet te vertellen thuis.
‘s Avonds kwam bij een van de jongens uit waarom hij zo bang was geworden. Hij had het zijn ouders toch maar verteld en die lichtten de politie in.
Zo hebben ze het kind toch gevonden.
Ja dat zijn domme jonge jongens dingen.
Het heeft nog een poosje geduurd voordat hij die dingen afleerde.
Zelf deed ik ook domme dingen op jonge  leeftijd en later eigenlijk ook nog, dus ben ik niet beter.

Rudie kocht op zijn 18e een hele grote Toyota Crown.
Je moet weten dat hij tegen de achterruit een bord had geplaatst met “MAFFIA STAFCAR’.
Voorin op het dashboard stond een sigaretten-aansteker in de vorm van een handgranaat.

Ik mocht er ook een keer in rijden en eenmaal op de snelweg gebeurde er een enge actie. We reden bij Voorburg op de snelweg richting Gouda, toen er een andere auto met een stelletje gaaies er in ons expres ging snijden op de weg en voor ons neus ging afremmen en nog meer van die rare acties.
Je zag ze lachen met zo’n treiterende blik.
Die zouden ze wel eens even schrik aanjagen.
Ze maakten gebaren dat we moesten stoppen.
Toen kreeg ik het impulsieve idee om de nep-handgranaat te pakken toen ze net weer langszij kwamen om ons bang te maken.
Ik deed het elektrische raam open en deed net of ik de pin er uit trok met mijn tanden.
Maakte een gooibeweging,  waarna boven mijn verwachting de auto vol in de remmen ging en bijna op de vangrail knalde.
Natuurlijk heb ik niet echt gegooid, maar we hebben ze daarna niet meer gezien.

Deel XVI – Ons eigen bedrijf
We hadden het plan opgevat om samen auto’s te gaan opknappen en zo ons eigen bedrijf te beginnen.
Onze eerste klant was een goeie. Hij wilde dat we de motorkap gingen opknappen. Er zat roest aan en een paar deuken in. Was geen probleem. Wij deukten het plaatwerk uit en schuurden alle roest er af.
Deukten uit en plamuurden de boel helemaal strak.
De man had gezegd dat hij niet moeilijk was en dat hij het al snel mooi zou vinden als het maar goed gedaan werd.
Verf spuiten konden we niet zelf, maar buurjongen Paul zei dat hij daar goed in was. Handige Paultje werd hij genoemd.
Jammer dat de temperatuur in zijn schuur te laag was en hij niet wist dat spuiten boven de 15 graden dient te worden gedaan.
Het resultaat was een motorkap met sinaasappel-effect.
Wij een beetje bezorgd, maar Paultje zou het nog een keer overdoen. Hij snapte niet waardoor het kwam, want andere keren ging het zo goed?
Na wat gedoe kregen we hem weer terug, maar nu was het nog erger. Mijn vader zei hoe we het konden oplossen. Uit laten harden en polijsten met commandant groen. Dan lijkt hij net weer nieuw. Wij dat gedaan en na een hele dag samen poetsen was het resultaat verblindend.
Jammer dat de klant niet wilde betalen, want het was te mooi geworden en stak teveel  af bij de rest van de auto.
Ik denk dat deze persoon sowieso niet wilde betalen.

DEEL – XVII – CLOWN-AUTO
Later ging Rudie in militaire dienst (toen nog verplicht in Nederland). Daar leerde hij verf spuiten op minutiekisten. Dus hij dacht dat een auto ook wel ging lukken.
Van een man met een Indische achtergrond kregen wij een klusje aan een oude Toyota welke metallic blauw was. Hij zei dat hij ons deze klus gunde om ons bedrijf op gang te helpen. Het was een heel aardige kerel. De spatborden moesten uitgedeukt en overgespoten worden. De rest van de auto zag er nog als nieuw uit.
Ik deed het uitdeukwerk en strak maken en Rudie ging hem spuiten.
Omdat hij totaal geen ervaring had met auto’s spuiten ging er toch wat mis.
Hij had naast de spatborden keurig tape geplakt om de auto niet te raken. Maar de garage waar werd gespoten had geen damp-afzuiging. Toen het spuitwerk klaar was belde hij mij daarover op en was weggegaan. Ik had natuurlijk eerst moeten gaan kijken, maar wie verwacht dit nou? Ik had de man opgehaald en samen reden we naar de garage. We doen de deur open….. en alles was blauw! Ook al mijn gereedschap, de ramen de deuren, …ALLES !
De man bekijkt zijn auto en roept in zijn Indisch accent, “IK HEB EEN CLOWN-AUTO, IK HEB EEN CLOWN-AUTO”.  Hij was volkomen buiten zinnen.

Rudie en ik zijn nog twee dagen met het handje aan het poetsen geweest. Het lastigste was de voorruit die totaal was dichtgespoten. Wat een werk was dat. We hebben toen uitgerekend wat we per uur hebben verdiend. Ongeveer 0,17 cent per uur. Kun je nagaan!
Dus het bedrijf werd toen gestopt wegen teveel succes.
Maar met Rudie is het later toch goed gekomen hoor.
Hij heeft  wat hij wilde en een stel mooie kinderen.
Hij heeft nu zijn eigen schildersbedrijf en zijn hoge opleiding.

Deel XVIII – VEREN
Tegenwoordig gaan kinderen met vakantie mee naar het buitenland, gaan naar speel-paradijzen of mooie campings.
Toen ik een tienjarige jongen was hadden wij dat allemaal nog niet. Er was maar 1 kind in de hele wijk welke met een auto naar Frankrijk ging op vakantie. De rest bleef thuis en kreeg als bijzonderheid 10 cent voor een goedkoop openlucht zwembad en een stuiver voor een half dubbellikker ijsje.
Maar ongelukkig waren we zeker niet. Wij zagen kans om met heel weinig ons bijzonder goed te vermaken. Vroeger stond als het grootvuil dag was van alles bij de stalen vuilnisbakken aan de stoep. Oude stofzuigers waar we een duikboot van maakten, bezems waar en sigarenkistjes waar je een gitaar mee kon kaken. Of we gingen een vlieger maken van een paar latten en papier.
Maar het allerleukste vond ik zelf fikkie stoken op een braakliggend terrein vlak in onze buurt. Dat terrein was helemaal bedekt met brandnetels. Voorheen hadden er huizen gestaan, maar het veld stond al jaren ongebruikt. Mensen gooiden daar hun afvalhout neer, oude stoelen, kapotte motorcarriers en bromfietsen.
Ik hakte daar dan met een oud broodmes paden in het brandnetelveld en die vormden dat een crosscircuit voor de fiets of oude bromfiets die het nog deed. Alle jongens en meisjes uit de buurt (en dat waren er veel) kwamen wedstrijdjes meedoen die ik organiseerde. In het midden had ik met mijn broer een hut gebouwd van het oude hout.
Spijkers werden thuis uit de schuur gepakt van mijn vader.
‘ s avond brandde er bovenop de hut een draaiende lamp gemaakt van een oude klok(die je wel telkens moest opwinden) met een olielamp er op. Zo hadden we ons eigen zwaailicht. Maar op een dag had iemand een heel groot matras gedumpt.
Dat zorgde voor een hilarisch verhaal……

VEREN VEREN VEREN
Er was behalve mijn broer niemand op het veld. Er lag weer genoeg oud hout en andere troep om in de fik te steken en zodoende hadden we binnen een kwartier een flink vuur gemaakt. Toen zag ik de grote matras liggen en samen legden we die ook op het vuur. Zal wel lekker fikken zeiden we tegen elkaar. Op dat moment begon het hard te waaien en dat wakkerde het vuur extra aan.
De matras wilde eerst niet erg branden, maar de buitenkant schroeide wel helemaal open.
De matras bleek helemaal gevuld met donzen veren. Dat knetterde enorm en wij genoten van het spektakel totdat de wind er vat op kreeg. Door de hitte stegen de veren op en boven in de lucht werd het door de wind meegenomen.
Later bleek dat het in de wijk en zelfs daarbuiten door de hele stad veren regende die dag. Iedereen had het er over en de politie ging de buurt rond om te vragen of iemand er van wist. Niemand had ons de matras zien verbranden en dat was ons geluk.
‘s avonds wel aan mijn vader verteld, want we moesten het wel iemand vertellen zo’n avontuur. De andere morgen werd er nog door de buren over gepraat en geklaagd. Wie zouden dat op hun geweten hebben. Alle tuinen en huizen hadden een verenplaag ondervonden. Mijn vader zette die morgen de radio aan toen iedereen weer naar binnen was. Op de radio begon net de ochtend gymnastiek  met Ab Goubitz die zei ” staat u allen klaar? Dan gaan we nu beginnen met enz.” En toen hoorden we “en nu veren, veren, veren… ” We kwamen niet meer bij van het lachen!

Nooit gedacht dat er zoveel veren in 1 matras kunnen zitten.

Even geen vuur meer gemaakt op het veld. Een poosje later vonden we een bakfiets met een motor. We hebben eerst de banden geplakt en samen kregen we de motor weer aan de praat.
Koos een grote jongen welke al een paar jaar ouder was dan ons ging er op zitten en reed met ons in de bak naar het crossveld. Daar ging het een poosje goed, totdat… Koos hem niet meer kon houden en wij samen een schuur binnen reden dwars door de achterkant. Ja dat vonden onze gezamenlijke ouders, op z’n zachts gezegd,  niet zo leuk kan ik gelukkig nog navertellen.

DEEL XIV – Kinderen uit de buurt en Oostenrijk
Ja met ongeveer vijftig kinderen in onze wijk was er altijd wel iets te doen of te beleven.
Op een dag in de zomervakantie kwam er bij ons aan de overkant een jongen uit een huis die we niet kenden. Hij bleek alleen Duits te kunnen praten. Er waren kinderen uit het buitenland gehaald om in Nederland vakantie te vieren. Wat wij er van begrepen was dat er kinderen in Nederlandse gezinnen werden opgenomen welke het een en ander hadden meegemaakt door de nasleep van de tweede wereldoorlog en  in slechte omstandigheden verkeerden in hun land. Deze jongen heette Kurt (Koerd verstonden wij). Hij was reuze amusant en vertelde allerlei verhalen. Wij verstonden geen woord Duits, maar door zijn gebaren en geluiden wisten we heel goed waar het over ging.
Hij kon heel goed het galopperen van een paard nadoen en er bij hinniken. Als je je ogen dichtdeed zag je hem voorbij draven. Een heel bijzondere jongen was het.
De hele grote vakantie hebben we met hem opgetrokken. Hij leerde heel snel Nederlandse woorden en wij Duitse, zodat we elkaar steeds beter begonnen te begrijpen.
Jammer genoeg was het maar voor even en hebben we  nooit meer iets van hem gehoord of gezien.
Voordat hij weer vertrok naar zijn land verwondde hij zich aan een mesje dat hij altijd bij zich had. Het bloed viel op een tegel en die tegel werd een soort monument ter herinnering an Kurt.

DEEL XX – TELEVISIE

Televisie EN WE SCHROKKEN ONS DE KOELERE!
Mijn vader was van The old school en dat betekende dat hij bijvoorbeeld niets met de nieuwste muziek en apparaten had.
Als wij er over begonnen dat we ook graag een televisie zouden hebben, reageerde hij boos. Hij zei bijvoorbeeld ” van die televisie word je dom, je gebruikt dan niet meer je fantasie om beelden te bedenken bij het geluid. Net zoals je dat doet bij een hoorspel”.
Daarmee had hij wel een punt, maar toch wilde wij graag een televisie.
Omdat ik bekend stond in de wijk als “de knutselaar en soms door volwassenen Willie wortel werd genoemd, kreeg ik allerlei spullen die werden afgedankt. Oude kapotte bromfietsen, die ik weer aan de praat bracht, oude radio’s, koekoeksklokke en noem maar op. Op een dag kreeg ik van de overbuurman zijn oude TV. Een achterlijk zwaar  en groot gevaarte, maar ik was er heel blij mee. Ik moest hem wel zelf weghalen, want de buurman was al oud. Mijn broer er bij gehaald en samen sleepten we het ding naar huis, de trap op en stiekum op onze slaapkamer gezet met een laken er over. Dat moest wel, want wij dachten als pa dat ziet, mikt hij hem zo het raam uit.
We zetten hem alleen aan als hij niet thuis was. Mijn moeder wist het wel, maar die zei niets tegen mijn vader. Op een middag op zaterdag, terwijl vader overwerkte in het weekend, zaten wij natuurlijk naar Ivanhoe te kijken. Een razend spannende serie met Roger More als ridder. We hadden hem lekker hard staan voor het nodige effect.
Toen stond ineens mijn vader boven naast onze tv.
We schrokken ons de KOELERE!
Hij riepwat, hebben jullie televisie!?“.
“Eh ja, ik geloof het wel”, zei ik zachtjes….

Toen trok hij de stekker er uit, nam de televisie beet (hij was zo sterk als een paard) en nam hem mee naar beneden. Zette hem op een tafeltje in de hoek van de huiskamer en zette hem weer aan. “Mooi” zei hij “hebben we ook televisie”.
Wij heel verbaasd natuurlijk, maar toen zaten we met het hele gezin te kijken.
Niet lang daarna kwam er een tweede net bij. Dat zat er niet op en was de reden dat ik die televisie van de buurman had gekregen. Mijn vader kwam een paar dagen later thuis met een stukje papier en wat onderdelen en een sigarenblikje.
Hij zat een poosje te knutselen met een buisje en wat weerstane, condensator, spoeltje enz. Toen was even later het sigarenblikje omgetoverd in een tweedenet kastje. Prachtig!
Waarom hij nu ineens wel televisie wilde? Nou achteraf  bleek dat hij niet wilde toegeven dat er gewoon geen geld voor een televisie was.
Die apparaten zag je toen alleen bij mensen die goed in de slappe was zaten, vandaar dus!

 

 

Wordt vervolgd!

Jacques verhalen – hier gestart in 2017

Komende delen…..TV, Buks, Mobiltte, enz.

Scrol omlaag voor strange and beautiful things