“De ontdekker”, in meerdere te volgen delen

Ach schiet mij maar dood zei Opa…..
Er zijn miljarden levende wezens op deze planeet en ik ben er één van.

Die ene die ik ben vertelt zijn verhaal in verschillende delen. Ogenschijnlijk zijn het her en der herinneringen die mij te binnen schieten.
Er zijn leuke anekdotes, serieuze zaken en ideeën in mijn verhalen. Als ik mijzelf omschrijf, ben ik iemand die nog elke dag iets nieuws probeert te ontdekken.
Dus noem ik mij  “De ontdekker“.

Voorwoord:
Dit verhaal vertelt, dat je wel heel veel geluk moet hebben dat je überhaupt geboren wordt op deze wereld.
Dat geluk hebben onze voorouders, nakomelingen en wij gehad, al hebben wij allen er geen enkele moeite voor gedaan. Het is namelijk wel heel bijzonder dat wij die nu bestaan, het er levend vanaf gebracht hebben als je nagaat wat er allemaal mis had kunnen gaan om niet geboren te worden.  Dat het een geschenk is dat je nu leeft.  Eigenlijk hebben wij allemaal de Jackpot gewonnen. Al denk ik niet dat iedereen zo blij is met zijn of haar prijs. Dat geldt zeker voor dieren, maar ook mensen die op de verkeerde plaats of in het verkeerde lichaam zijn geboren.
Als u de moed op kunt brengen dit verhaal te lezen, tel dan het aantal keren dat  ik bijna het loodje legde. Ik realiseer mij dat het nog steeds een wonder is dat ik dit verhaal zit te schrijven en dat u en mijn kleinkinderen het kunnen lezen.
Wat ik wil vertellen krijgt wat meer logica als de samenstelling van mijn familie duidelijk is. Daarom noem ik af en toe wat namen van moeders en vaders en enige uitleg erbij.

  1. Ons gezin bestond uit Vader Jan, moeder Christine, dan kwam Jacques de oudste zoon, met daarna Frederik, zus Gerarda en als laatste een broertje Rudolf. Mijn Opa aan vaders kant heette Jacobus. Mijn Oma’s heb ik beiden nooit gekend omdat ze al jong zijn overleden. Uit vertellingen weet ik een aantal zaken van hen die in mijn verhaal zullen terugkomen.
    De Opa aan moeders kant heette Frederik.

DEEL I
Op 27 april 1951 werd ik geboren. We woonden in een straat met arbeiders gezinnen, haaks op een spoorlijn waar elke nacht de Chloortreinen in volle vaart langs denderden.

In ons huis woonden negen andere mensen samen met mijn moeder.
Behalve mijn moeder rookten ze allemaal letterlijk als schoorstenen. Ze mocht daarom fijn meeroken terwijl ze van mij zwanger was. Zelfs in bed werd er gewoon doorgerookt tot ze in slaap vielen. Mijn Opa Jacobus bijvoorbeeld, heeft een keer zijn bed in de fik gestoken doordat hij rokend in slaap viel. De meeste van hen zijn er later ook vroegtijdig door heengegaan, maar dat terzijde.

Dit zorgde er voor dat mijn overlevingskansen al aanzienlijk daalden. Mijn aanleg was blijkbaar toch sterk genoeg om dit alles tot nu te overleven.

Foto’s van mijn jeugd zijn er bijna niet, althans ze schijnen er wel te zijn, maar ik heb ze nooit gezien. Mijn moeder vertelde dat een nicht van mij alle foto’s van de familie geconfisceerd heeft, inclusief de negatieven. Toen ik haar om enige scans of afdrukken voor mij te regelen, zei ze dat ze geen enkele foto bezat. Maar dat  haar zus alle foto’s  heeft. Ja.., mijn reet!
Maar een paar heb ik er toch wel, die heeft ze eventjes gemist denk ik. Bijvoorbeeld een (zeer kleine) foto, welke ondanks dat deze wazig is en in zwart/wit/bruin gevlekt met rafels, zie je toch dat ik er op sta… met een pispot in mijn hand. En ik keek nog blij bij ook…
1953
Ja, dat vonden de mensen vroeger erg grappig. Zie je later ziet hoe lullig je er bij stond, terwijl je nog nergens notie van had. Het liefst een foto van jou in je blote hol met een mini piemeltje. Niet dat het piemeltje nog heel veel meer geworden is hoor. Maar verder totaal onbelangrijk dus.
Mijn Oma die daar ook woonde, maar dat was voor mijn geboorte, heb ik helaas nooit gekend. Beiden Oma’s waren al vroeg aan enge ziektes overleden. Hun vreselijk ziekten waren voor beiden een straf van god volgens de geestelijke vaders van de kerk.
Dus werden ze beiden naar dat denkbeeld ook behandeld door hun vrome geestelijken.

Mijn oma (van vaders kant) had MS en lag met een doorgelegen rug zeer lange tijd huilend te creperen. Door de geestelijke, die gevraagd werd langs te komen om haar wat op te beuren en met haar te bidden, werd gezegd dat ze maar niet had moeten trouwen met iemand van een ander geloof. Nou daar knapte ze een stuk van op!
                                           
Mijn andere oma (van moeders kant dus) kreeg ook een opsteker van haar pastoor. Ze had maagkanker welke in het ziekenhuis was behandeld door artsen die haar nieuwsgierig open  maakten,  in haar rommelden met wat gereedschap en volgooiden met jodium.
Ze heeft nog maanden  liggen bidden of ze alsjeblieft naar boven mocht komen terwijl opa Freek het in de keuken stiekem met de huishoudster op tafel lag te krikken.

Mijn ouders hebben ons niet kerkelijk opgevoed, maar dat begrijpt men ergens wel hè?

Er kwam elk jaar  iemand van de kerk aan de deur als mijn vader jarig was. Niet om iets te brengen, maar om een bijdrage voor de kerk te vragen omdat de heer hem weer een jaar leven had geschonken.
Als kleine jongen stond ik er een keer bij toen dat gebeurde. Meteen weer een paar bijzonder fraaie uitdrukkingen aan mijn woordenschat kunnen toevoegen.
Maar soms gaf hij toch wel eens wat voor de kerk als er weer eens iemand geld kwam halen voor de kerk. Bijvoorbeeld een ouwe knoop van een Jas of broek. Die vroeg hij dan snel weer terug, want dat vond hij eigenlijk teveel en gaf in plaats daarvan een cent. Ja zei hij dan “een knoop kost toch al snel elf cent en dat is mij te gortig”.

Opa Jacobus had ooit een touwbaan gehad in Gouda met als specialiteit dat hij behalve touw maken, als enige in de omgeving het hennep-touw kon verven.
Hij was een perfectionist hoorde ik van iedereen, maar kon behalve keihard werken ook urenlang ouwehoeren als het hem uitkwam.
Heb ik toch nog iets goeds van mijn opa geërfd.

De andere inwonenden waren reeds vertrokken en opa was bij zijn dochter in gaan wonen. Het huis werd aan mijn ouders geschonken. Jammer dat het een huurhuis betrof.

Vijf jaar na de familie-verhuizing kwam opa Jacobus plotseling eens op bezoek, wat hij anders nooit deed.
Ik was erg blij dat opa zomaar eens op visite kwam. Maar hij kwam toch eigenlijk niet op visite. Hij kwam bij ons inwonen bleek even later. Want zijn dochter Eefje had gezegd, nadat hij ziek was geworden en een poep-uitgang met stinkende zak op zijn buik had gekregen van een arts en opa niet veel poen meer had, dat hij maar bij ons in moest trekken.
En daarom stond hij dus plotseling bij ons op de stoep. Mijn ouders namen hem braaf in huis. Want zo ging dat vroeger.


In eerste instantie was ik heel erg blij dat mijn opa in ons huis kwam wonen. Maar het moment dat hij werkelijk binnenkwam weet ik mij ondanks mijn jonge leeftijd nog steeds te herinneren als de dag van gisteren.

Opa kwam binnen en ik had een speelgoed pistooltje in mijn hand waarmee ik hem direct  neerschoot. Hij stortte buiten verwachting niet ter aarde zoals opa’s dat horen te doen. Hij zei “ Best jongen, schiet mij maar dood. Mijn leven heeft toch geen zin meer. Schiet mij maar dood, dan ben ik er vanaf”.
Voor het eerst in mijn leven kreeg ik te maken met een zwaar gevoel van neerslachtigheid. Ik wist toen nog niet wat dat was, maar voelde het wel als iets verschrikkelijks. Het was veel erger dan een teleurstelling. Dus dat was mijn eerste nieuwe ervaring van iets dat ik nog niet kende, maar er zouden er nog veel meer komen bleek later. Intriest vond ik het.


Ik hoopte wel dat hij een vlieger voor mij zou gaan maken, want er was mij verteld dat als hij voor iemand een vlieger maakte deze zo perfect in balans was, dat de vlieger totaal stil in de lucht kon staan. Dat wilde ik wel eens zien. Maar helaas….. hij deed het niet, beloofde het telkens, maar deed het nooit.

Mijn vader maakte daarom voor mij een hele grote mooie vlieger.
Ik mocht er zelfs bij helpen, want dan kon ik het voortaan zelf ook. ?, Nou ja.
Jammer dat ik die vlieger niet in mijn eentje kon vasthouden. Pappa liet de vlieger op en ik kreeg de klos met touw in mijn handen gedrukt en weg was ik. Mijn vader er achteraan. Hij kon nog net voor de bovenleiding van de spoorlijn mij vastgrijpen en de klos uit mijn handen trekken. Anders was dit verhaal nooit geschreven en was ik geëindigd als een hoopje rokende as. Ik was roken wel gewend, maar dit was te heftig voor mij geweest.
Telt u nog mee?
Dan nu de volgende destructieve actie:>
De eerste keer stond ik onder stroom toen ik als driejarige probeerde een lampje te vervangen in een sierhaardje dat op de schoorsteel stond waarvan het lampje er uit was. Ik had een zaklantaarnlampje gevonden en probeerde dat er in te doen.
Plotseling ging er een trillende schok door mij heen waarbij het haardje met stekker en snoer uit het contact werd gerukt en door de lucht vloog.
Even later liep ik naar mijn moeder omdat mijn rechter hand maar bleef samentrekken. Kijk mam zei ik, mijn hand kan vanzelf bewegen. “ Wat heb je gedaaaan”, riep moeder logischerwijze wel geschrokken.

Nog een paar kansen op vroegtijdig uitstappen die u ook rustig mee kan tellen.
Keer op keer had ik last van een chronische oorontsteking die ik vanaf mijn geboorte had meegekregen. Na een operatie waarbij ik bijna het loodje liet, mocht ik nog weer even verder.
Een andere keer was het dat ik bijna stikte in een stukje  Celluloid(eerste thermoplast) van een windmolentje waarop ik liep te kauwen. Mijn moeder zag mij buiten staan en ook dat ik blauw aanliep. Met twee vingers in mijn keel haalde ze het stuk kunststof uit mijn luchtpijp.

Nu weer even over mijn lollige opa die was komen inwonen.
Opa Jacobus was de man die mij , als mijn moeder in de keuken was, mooie verhalen vertelde over vroeger, vooral over de tweede wereldoorlog. Hoe mensen gemarteld werden en hoe ze op een rijtje werden gezet, doodgeschoten en in een grote kuil vielen. Over concentratiekampen, hoe er mensen werden vergast. Hoe men werd gezegd dat ze gingen douchen en er geen water uit kwam. Ja, mooie verhalen voor een klein kind. Kon ik weer lekker slapen die nacht.
Omdat mijn moeder niet wist waarom ik niet kon slapen en telkens riep dat ik niet dood wilde plus constant nachtmerries had, concludeerde een arts dat ik waarschijnlijk de school niet kon bijbenen en maar naar een langzame leerschool moest. Daartegen heb ik mij hevig verzet, want deze was vlakbij in het park en werd de park-HBS genoemd. Dat heet nu de park-HBO. Uiteindelijk heb ik dan toch maar bekend dat het door opa’s verhalen kwam die ik eigenlijk heel graag hoorde omdat het ze zo spannend waren.
Ik heb daarna nog zeker twee jaar bij dokter Van der Wiel gelopen. Slikte Valium van die arts om te kunnen slapen. Ja ze gaven kinderen toen Valium. Ik vond het zelf wel Kek spul. Het werkte erg bevrijdend, want ik zei tegen volwassenen wat ik van hen dacht, wat weer niet erg op prijs werd gesteld. Maar ik sliep goed en voelde mij in ieder geval wel erg lekker.
Verder moest mijn moeder ‘s avonds goed eindigende sprookjes voorlezen en mijn opa zijn mond houden van de arts.

Volgende actie:
Rond mijn tiende jaar deden we een eetwedstrijd aan tafel waarbij ik bijna het loodje legde omdat ik zowat stikte in een groot brok aardappel. Gelukkig kreeg mijn moeder het er weer net op tijd uit door de lucht uit mijn longen te drukken van achter af. De aardappel schoot uit mijn luchtpijp. Deze vrouw heeft trouwens eerder en later nog wel vaker mijn leven moeten redden. Zelfs een keer met een bezem (toen ik drie was) omdat ik dreigde voor een stel langskomende paarden met grote wagen te lopen. Dus weer een momentje dat ik dit verhaal niet had hoeven schrijven. Nummer vijf of zo? Ik hou nu zelf op met tellen, maar u kunt zelf bijhouden welke ik alweer vergeten ben.

Nog even over het humeur van Opa Jacobus. Hij was altijd in mineur omdat hij nog steeds rouwende was na vele jaren. Hij had zijn dochter eens naar school gestuurd, ondanks dat ze telkens klaagde over hoofdpijn. Hij dacht dat ze schoolziek was en zei “ hou op met dat geneuk (de toen heel gewone uitdrukking als iemand vervelend was) en ga naar school”. Een paar weken later overleed ze aan een hersenvliesontsteking. Dat is hij nooit te boven gekomen en viel ook nog eens samen met de te vroege dood van zijn vrouw na een slepende ziekte.
Enig begrip heb ik later wel voor hem gekregen, behalve dan dat hij er een kleine jongen mee opzadelde. Gelukkig zonder trauma kwam de kleine jongen er mee weg. Van de zieke oma heb ik weinig uit de familie vernomen, behalve dan dat ze uit een rijke familie kwam van (vaak clandestiene) slagers met teveel poen. Hoe rijk ze ook waren, ze hebben haar nooit gesteund omdat ze met iemand van een ander geloof trouwde. Verder heb ik een heel kleine  foto van haar gevonden met de tekst erop, “haar moet anders”. Geen idee waarom dat er op staat, maar dat ga ik ook nooit weten. Veel heeft ze van haar familie moeten verdragen toen ze nog thuis woonde. Als er controle kwam hoe er geslacht werd hadden ze een trucje om de controleur te misleiden. De brave man kwam binnen en zag geen vlees hangen dat er niet mocht zijn.
De truc was dat de man daar zelf voor zorgde. Het uit te benen karkas hing aan een deur. Als er iemand aan kwam zorgden ze dat ze zelf weg kwamen en als de deur open ging verdween het karkas in een kast. Dus de deur van de toegang was ook de deur van de kast. Op de deur stond “BEZEMKAST”. Dat de controleur dit niet door had was te danken aan dat hij de tekst pas las als hij al binnen was. Dit verhaal vertelde mijn vader aan mij omdat het indruk op hem had gemaakt. Verder vertelde mijn vader dat haar moeder, de zeer oude oma van mijn vader en mijn overgrootmoeder, hem als kind boodschappen voor haar liet doen en houtjes hakken voor de kachel omdat ze zelf niet uit huis kon. Telkens als hij dat gedaan had kreeg hij een gulden voor de moeite. Die gulden was voor mijn oma een vermogen in die tijd en daarom kreeg mijn vader een groter muntje als hij die gulden met haar ruilde. Wat hij kreeg was vijf cent waard. Verder vertelde hij dat zijn oma is gestorven zoals ze heeft geleefd. Ze had zelfs in de warme zomer de kachel hoog aan. Mijn vader moest voor haar deze kachel altijd brandende houden, want ze had het altijd steenkoud. Ook al vielen de mussen van de hitte uit de dakgoot. Waarschijnlijk vergevorderde aderverkalking en zodoende een slechte bloedsomloop. Op een keer is ze zo dicht tegen de kachel gekropen dat ze levend is verbrand. Later heb ik pas beseft wat hij zei over dat ze is gestorven zoals ze heeft geleefd. Met andere woorden, het was niet zo een beste.
Over het huishouden heeft hij verder nog vertelt dat hij zijn werkgeld thuis moest afgeven en als dank daarvoor zijn vaders pak mocht lenen als hij uit ging. Ze hadden thuis een huishoudster omdat alle kinderen inmiddels werkten of het huis uit waren. Ze werd vieze Kee genoemd. Ze heette Kee, dat snapte ik wel, maar toen wilde ik weten waarom dat vieze er voor werd geplaatst. Mijn vader vertelde dat ze het niet erg nauw nam met hygiëne. Als bijvoorbeeld de suikerpot op de vieze houten vloer viel waar iedereen met zijn vuile schoenen van buiten kwam, werd alles met een bezem gewoon bij elkaar geveegd en terug in de pot gestopt. Dus het kon voorkomen dat er bijvoorbeeld een schaam of andere haar in je thee of koffie dreef. Er waren nog meer mooie voorbeelden, maar deze zal ik een ieder besparen.
Dat waren zo ongeveer mijn grootouders van vaders kant.
Er schiet mij vast nog wel meer te binnen als ik verder vertel.
Maar dat bewaar ik voor het tweede deel.

DEEL II
Ooms en tantes.
Ja dat waren ook heel aparte wezens.
Mijn Tante Eefje kreeg deze naam van haar dode zus. Haar vader nog altijd rouwende om zijn kleine Eefje gaf haar dezelfde naam in de hoop dat hij er iets goed mee maakte tegenover het overleden kind. Alleen had dit meisje niet het lieve karakter van zijn eerste meisje. Maar verwende haar wel tot op het bot. Alles was voor Eefje. Ze regelde toen ze ouder werd het huishouden. Ze ging dus ook over het huishoudgeld. Wat ieder inbracht aan kostgeld verdeel zij onder de armen. Helaas wel haar eigen armen.
Mijn moeder, die er ook woonde toen mijn vader in Indië zat wegens een oorlog waar hij voor opgeroepen was in 1945, kon mij vertellen hoe ze dat deed. Er bleek een kast in huis te zijn waarvan alleen zij de sleutel had en die bewaarde ze in haar onderbroek.
Die kast kreeg zij per ongeluk een keer vanbinnen te zien toen Eefje niet merkte dat mijn moeder binnenkwam en de kast nog open stond. Ze had een hele rij glazen potjes die uitpuilden van het geld. Ze deed snel de kast dicht toen ze door had dat mijn moeder was binnengekomen. Maar ze had het al gezien. Zo spaarde zij dus voor haar nieuwe woning en haar uitzet. Zo zag ze ook waar Eefje de sleutel bewaarde. Een kluis met een gleuf.

Toen mijn vader terug kwam uit Indië, woonden ze allemaal nog in mijn ouderlijk huis alwaar ik na mijn geboorte zoals al verteld, ik verwelkomt werd met een dikke mist van rook alwaar ik met mijn nog prille tere longen een stuk uit mocht happen.
Gelukkig gingen ze daarna één voor één het huis uit.
Tante Eefje als eerste, want ze had genoeg gespaard om te kunnen trouwen en een huis te regelen.
Een jaar daarna kreeg ik een broer. Het jaar daarop nog een, maar die hield het maar drie uur vol. Dat was zijn geluk, want mijn moeder vertelde dat hij door een resusfactor lichamelijk volkomen invalide was geworden als hij was blijven leven. Toen werd er nog niet tegen ingeënt. Omdat mijn ouders daar goed van zijn geschrokken, zijn ze pas weer aan een kind begonnen toen dat wel het geval was. Het werd een zus. En drie jaar later kwam er nog een broer, maar dat was onbedoeld, maar toch welkom. Hij werd op vrijdag de dertiende geboren en ik heb nog nooit zo een mazzelpik meegemaakt, Wat nou vrijdag de 13e ongeluksdag!

Met mijn eerste broer heb ik het langst moeten optrekken. Wij waren een soort tegenpolen. Wat we ook deden het liep altijd uit op huilen. Zelfs nog op volwassen leeftijd.
Mijn zus heb ik niet zo bewust meegemaakt als kind omdat we tien jaar scheelden. Zelfs nu zie ik haar nog niet vaak.
Mijn jongste broer daaraan tegen, heb ik zelfs een jaar in huis gehad nadat mijn vader al jong overleed en mijn moeder met een waardeloze vent in Rotterdam is gaan wonen.
Die vent was een enorme hondenlul wat mij betreft. Mijn moeder is door zijn toedoen ook veel te vroeg overleden. Als ze ergens last van had of grieperig was, ging hij doktertje spelen. Gaf haar medicijnen die hij voor zijn hartkwaal had aan haar. Jahoor, dat was hem helemaal. In dat fijne Rotterdam heb je daarbij ook nog eens van die joviale trambestuurders die niet op oude mensen wachten tot ze zitten of zijn uitgestapt.
Bij het instappen vloog ze tegen de grond omdat ze nog stond en bij het uitstappen gingen de deuren te vroeg dicht zodat ze aan haar armen werd meegesleurd en ze beiden ook nog brak daardoor. Daarna in het ziekenhuis nog een ziekenhuisbacterie opgelopen waardoor ze een dodelijke longontsteking opliep. Haar weerstand was zo laag door de hulp van haar vriend de thuisdokter dat ze stikkend is heengegaan.
Naderhand stuurde hij mijn broer nog een mooie kaart met een middelvinger er op vanuit Engeland, want mijn moeder had nog geld en daarvan waren hij en zijn zoon fijn op vakantie gegaan. Jammer dat ik hem niet meer tegen kom.
Maar nu dit verteld te hebben even verder met mijn verhaal.
Mijn jongste broertje zag het niet zitten om bij die engerd in te gaan wonen en kwam dus bij ons inwonen. Na een jaar of anderhalf had hij verkering met een meisje en ging daarmee samenwonen. Hij was net 18 geworden toen.
Ook deden we later wel dingen samen zoals een auto opknappen en dergelijke. Maar daarover later meer.

DEEL III
Nu over mijn vader, moeder en de andere grootouders.
Ja, het klopt. Ik spring van de hak op de tak.
Mijn moeder was de dochter van visboer en boerin met een eigen viswinkel in Gouda.
Opa Freek (door ons opa Vissie genoemd) zat de meeste tijd langs de weg en verkocht zijn vis ook langs de deur bij de mensen thuis. Dat zie je tegenwoordig hier niet veel meer. Hij had daarvoor een Paard en wagen. Later een met benzinemotor aangedreven bakfiets.
Mijn oma was volgens iedereen de liefste en de meest zachtaardige vrouw die ze kenden in Gouda en omstreken. Jammer dat ik die nooit gekend heb.
Mijn moeder moest al jong, net als haar zussen helpen in de winkel en kwam zodoende niet verder dan de derde klas van de lagere school.
Dat ze niet meer naar school hoefde vond ze op oudere leeftijd wel jammer. Ze was een hoop kennis tekort gekomen waar ze blijvend last van had. Maar op haar jonge leeftijd vond ze het helemaal niet erg, want op school werd haar vaak pijn gedaan door haar leraar. Deze man kreeg ik nota bene later ook als leraar en het was inderdaad een klootzak. Mijn Opa heeft hem eens een goeie klap uitgedeeld toen mijn moeder thuis kwam met een half afgescheurd oor. Hij had haar aan haar oor over de gang gesleurd toen ze niet direct deed wat hij wilde. Opa kwam verder nooit in die school, maar hij vond die dag dat hij toch maar eens kennis met de leerkracht moest gaan maken.
Helaas heeft die knakker de val van de trap overleefd, zodat hij het mij en mijn broer ook nog lastig kon maken op school. Zeker toen hij hoorde wie mijn moeder was.
Het heeft er voor gezorgd dat ik een hekel kreeg aan school, wat mij zelfs op latere leeftijd nog achtervolgd heeft doordat ik twee jaar later van school kwam dan de bedoeling was. Ik spijbelde wanneer het maar kon en bleef daardoor ver achterop met mijn leerstof.
Haar broer Paultje, en enige jongen in het gezin, hoefde niet te helpen want hij was een jongen en moest daarom studeren voor zijn toekomst. Vrouwen konden vroeger niet leren en waren handig in het huishouden en tonnen met vis sjouwen. Er was toen nog geen leerplicht. Dus werkten veel kinderen al jong mee in het bedrijf van hun ouders. Deze kinderen( vooral de meisjes)  moesten vis schoonmaken, haringtonnen sjouwen en bestellingen rond brengen. Dat laatste ging wel eens verkeerd. Mijn opa had voor iedere klant een bijnaam. Voor mijn moeder was niet altijd duidelijk hoe bepaalde klanten nu echt heetten. Zo kwam het dat sommige klanten niet meer bestelden. Er was een klant die altijd naar de wc moest als hij in de winkel kwam. Als hij geweest was stond er altijd honderd elf op de muur. Ik vroeg haar waarom stond er altijd honderd elf?
Mijn moeder zei dat hij geen Wc-papier gebruikte maar zijn vingers die hij op de muur afveegde. Dus die kerel had ze onbedoeld snel weggewerkt. Ze had op het pakje geschreven “mijnheer 111 op de muur”. Een andere klant werd Jan Prukkie genoemd.
Daarvan wist mijn moeder echt niet dat het zijn naam niet was.

Maar mijn opa kon er zelf ook wel iets van. Op een dag kwamen er tussen de middag schooljongens zoals wel vaker een visje kopen. Maar deze keer hadden ze een andere bestelling. Ze konden van het lachen niet uit hun woorden komen en toen haar moeder vroeg wat ze nu eigenlijk wilden, zeiden ze “dat wat op de etalage staat, dat willen wij hebben”.
Mijn opa was niet zo best met taal blijkbaar. Hij had met grote letters op de winkelruit gezet ”Heden gebakken KUT”. Moest natuurlijk “gebakken KUIT” zijn, maar dit vonden ze lekkerder zeiden de jongens. Toen mijn moeder toch over mijn opa aan het vertellen was zei ze “ hij had wel meer dingen die je niet vergeten kunt, zoals die keer in de oorlog dat hij voor zijn vrouw zelf een korset maakte van auto binnenbanden.
Zijn vrouw wilde het absoluut niet passen, want ze dacht dat het veel te klein was. Opa zei toen dat het kon rekken en zou het wel even voordoen. Zodoende trok hij het korset aan waar iedereen bij stond. Iedereen lag eerst helemaal blauw van het lachen, maar toen hij ook blauw werd hebben ze hem zo snel mogelijk bevrijdt.
Ze zei nog, wat ging die tekeer toen hij er niet uit kon komen ha, ha ,ha.
Die handige opa is tot op hoge leeftijd blijven werken met zijn viskar langs de weg. Iedereen kende hem en zijn gewoontes en uitvindingen. Liet zich soms in natura betalen voor de vis. Zodoende hoefde mijn schoonmoeder (vertelde ze ooit aan mij) nooit meer vis van hem. Als hij vis verkocht aan rooie Tonia (de hoer van het dorp) mocht hij altijd even een kwartiertje binnenkomen.
Mijn moeder vertelde dat hij nooit verder dacht dan de dag van vandaag. Morgen zag hij wel weer wat er kwam. Zodoende zag hij kans naar een jarig familielid te reizen in Rotterdam. Dat ze dat af en toe aan het bombarderen waren vond hij geen bezwaar. De hele familie ging in de viskar met motoraandrijving en zo naar Rotterdam. Er gebeurde net als hij al verwachtte helemaal niets onderweg of in Rotterdam.

Toen ik nog thuis woonde is opa Vissie na zijn zes en tachtigste jaar toch maar met pensioen gegaan. Hij kreeg staar en werd geopereerd. Dat is alles wat hij ooit gemankeerd heeft. Dus elke dag een paar borrels, pakjes sigaretten, een dikke buik eten van de vette vis en buiten de deur neuken kan zorgen dat je heel gezond, heel oud wordt (96).
Hij maakte in die tijd ook wel leuke dingen voor iedereen die hij aardig vond. Hij had nu tenslotte alle tijd nu hij niet meer langs de weg zat.
Niet iedereen was er even blij mee kan ik je uit eigen ervaring vertellen. Als je eens logeerde mocht je douchen in de bijkeuken.
Er zat helemaal geen douche in dat huis, maar hij maakte er, handig als hij was, zelf wel een. Hij had namelijk een gieter opgehangen aan een touwtje en als je daaraan trok kreeg je een ijskoude straal water over je rug. En je stond het toch al af te niften van de kou, want het was in de bijkeuken net zo koud als buiten. Het was eigenlijk een onverwarmde serre aan de achterkant van het huis. Iedereen zag dan ook nog eens je blote reet als ze aan de achterkant naar buiten keken. Kon je ook nog eens gaan roepen om een handdoek die hij zou brengen , maar vergeten was. Duurde dan even zodat je helemaal verkleumd naar binnen mocht. Daar was het dan wel weer lekker warm zodat je er extra van genoot. Kou is goed voor je longen zij hij. Afwisselen warm naar koud en dan weer warm zorgt voor de bronchiën was de boodschap.
Toen ik zestien werd kwam ik mijn nieuwe tweedehands gekregen bromfiets laten zien. Ik kreeg toen zijn leren motorpetje, zo’n leren kap met een luxe motorbril. Die bril had zelfs zonneklepjes die omlaag en omhoog konden. De helm was toen nog niet verplicht en stoere jongens reden allemaal zonder helm. Nu zie je van die bromfietsclubs met Solexen, Zündapps en Puchjes rijden met lui in lange leren jassen en Willempie helmpjes op. Op een Solex reden alleen mensen die te bang waren om op een snelbrommer te rijden en hadden meestal wel zo’n lullig helmpje op met leren bandjes aan de zijkant.  Nou die hadden in onze tijd alleen de oude lullen en bange lulletjes. Dus wij echt nooooit! Wat dat betreft is de geschiedenis slecht vastgelegd mijns inziens.
Ik rijden zeg, met mijn opa’s spullen op mijn hoofd en werd natuurlijk prompt aangehouden door twee grote agenten in een VW-kevertje. Ja het was inderdaad geen gezicht. Wij vonden agenten in een Porche de enige klabakken die we serieus namen behalve eentje. Die noemden we de Pikkenees. Als die je te pakken kreeg had je ook meteen een pak slaag met een gummieknuppel te pakken. Die twee agenten van zo- even, kwamen niet meer bij van het lachen en wilden er wel meer van weten. “Zo jochie, ben jij wel zestien? “Oh ja”,ik liet mijn geboortebewijs zien omdat ze mij altijd voor jonger aanzagen.

“ Is dat de nieuwe mode joh? Dat daar op je hoofd?” ” Nee, maar ik doe mijn opa een plezier. Hij heeft dit 60 jaar gedragen op zijn motorcarrier”. “Hij is de beroemdste visboer op wielen van Gouda en omstreken” . “Ja die kennen wij wel”.
“Nou doe maar af, want anders veroorzaak je nog ongelukken doordat je mensen afleidt van het verkeer“. Niet van, “kun je niet beter een helm dragen”, want daar had toen nog niemand het over. Net als dat mensen achterin een autobusje zaten op klapstoeltjes als er te weinig zitplaatsen waren. Mag nu ook niet eens meer. Raar zeg!
“De groeten aan je opa hè”. Ja de groeten, dacht ik. Ik moest lachen, want die ene agent die niets zei kende ik nog van een poosje terug. Ik reed toen op mijn brommertje over een landweg met een onbewaakte spoorovergang. Daar was een boer bezig een hele kudde koeien te laten oversteken. Achter mij naderde een politiewagen waaruit twee agenten sprongen. De ene was de agent die ik kende van daarnet. De andere agent liep op de boer af om te vertellen dat het levensgevaarlijk was en snel moest maken dat hij wegkwam met zoveel koeien. De andere stond net voor mij achter de laatste koe. Ik zag de koeienstaart langzaam omhoog gaan. Dat betekent bij insiders dat je even een stap naar achter of op zij moet doen. Die agent wist dat blijkbaar niet als stadsagentje. Die koe scheet een grote dikke straal groene stront over zijn borst en buik en een paar spetters rond zijn neus. Die andere agent had het niet door totdat ik hard begon te lachen. Hij kwam boos op mij aflopen en dus ik er vandoor.

Ook maakte opa Vissie leuke windmolens. Hij had er eentje op onze schuur achter het huis geschroefd. Hij wilde mijn moeder en de kinderen weer eens blij maken met een zelfgemaakt product. Het koe-lere ding was oerlelijk geverfd en gemaakt van ongeschaafd waaibomenhout want het mocht natuurlijk weer niks kosten. Totaal uit balans  maakte het ding een vreselijke herrie als de wind een beetje aantrok. We kregen klachten van de buren dat ze niet konden slapen van de herrie af en toe.
Mijn vader beloofde het gevaarte persoonlijk van het dak te halen. Maar dat was al niet meer nodig, want de oerdegelijke constructie die mijn opa had gemaakt, waaide finaal van de schuur en bij de achterbuurman (door mijn vader DE NEUS genoemd) door de glazen ruit van de serre.
“Zo” zei mijn vader, “daar zijn we mooi vanaf”.
Die buurman durfde verder toch geen verhaal te komen halen, want die jatte regelmatig gereedschap van mijn vader uit onze schuur als wij de deur weer eens lieten open staan tijdens het spelen achterom. De man ontkende altijd dat hij wat van ons had, maar andere kinderen hadden hem al een paar keer betrapt. Daarom mochten wij gereedschap terug stelen als mijn vader in de fabriek werkte, zodat mijn vader altijd een alibi had. En als hij toch durfde te klagen…wist hij ook van niets en zei dat zijn kinderen zulke dingen niet deden.

Mijn opa maakte ook mooie schilderij-lijstjes welke mijn vader absoluut niet in de kamer wilde hebben. Maar hij was er zo trots op dat mijn vader toch maar toe gaf aan mijn moeder die het wilde ophangen. Opa Vissie demonstreerde mij hoe hij die lijstjes maakte.
Hij nam een oud lijstje van een stapel welke met goudverf was onder gesmeerd. Dan pakte hij een brandende kaars en brandde het lijstje om de vier of vijf centimeter zwart. Daarna deed hij er vernis over en klaar. Had je een soort gouden tijger of zeebra-lijstje dat kleefde en stonk. Schilderij of foto er in en KLAAR!
Dat zijn schuur bijna afbrandde zat hij niet zo mee. Eerst gebruikte hij namelijk een brander , maar dat ging fout.  Opa was vergeten in zijn enthousiasme dat de brander nog aan was toen hij hem neerlegde.

Een andere keer had mijn opa een voetenbankje voor mijn moeder gemaakt. Daar was ze toch blij mee…. Het kostte haar drie keer een stel nylons. Toen ze eens goed keek zag ze dat er spijkers door staken en het hout vol met splinters (ongeschaafd) was. Opa keek niet zo krap als hij wat maakte.

Toen Opa 94 werd en zijn vijfde vriendin dood bleef, vond hij het welletjes en zei “ Ik ga voor de TV zitten en wacht tot ik dood ben”. Dat heeft hij nog bijna twee jaar volgehouden, want een dag voordat hij 96 jaar zou worden hield hij er plots mee op. Hij was in zijn slaap vertrokken. Mijn vader zei ” ik had wel verwacht dat hij een keer dood wakker zou worden. Die man heeft altijd geluk gehad”.

 

Deel IV
Oh ja, ik zou nog iets vertellen over mijn jongste broertje Rudie.
Ja wij hadden best veel lol al schelen wij 13 jaar in leeftijd.
Hij was als kind altijd vrolijk en blij. Wilde altijd stoeien en met je spelen.
Lef heeft hij ook altijd gehad. Ik zal er een voorbeeld van geven;

Vader had een redelijk zware luchtbuks waar ook wij soms mee mochten schieten als hij er bij was. We schoten dan kastanjes uit onze kastanjeboom. Ook zette hij wel een oude conserveblikjes neer om om te schieten. Het geweer was zo krachtig dat je de bodem er soms mee uit kon knallen. Geweldig vonden wij jongens dat en mijn zusje mocht ook mee doen.
Helaas moest mijn vader heel veel werken en overwerken. Ook zelfs op zondag omdat de baas vond dat het nodig was. Dus wij als jongens hadden vrij spel doordat moeder ons eigen gang liet gaan. Ze was vaak in de stad of bij buurvrouwen aan het kletsen of boodschappen aan het doen. Ze ging dus graag de deur uit.

Op een dag vroeg Rudie of we gingen schieten. Mijn oudste broer en ik vonden het een goed idee. Maar doordat de leiding van ons vader ontbrak gingen we steeds verder met dingen verzinnen om op te schieten. Uiteindelijk stond ons jongste broertje met een blikje op zijn hoofd en rug tegen de schuur als schietschijf. We schoten het blikje van zijn hoofd en zelf vond hij het prachtig. Als we het eraf hadden geschoten ging hij het snel oprapen en zette het weer op zijn hoofd. Dat er niets is gebeurd is puur geluk geweest.

Later bleek toch dat Rudie het beste kon leren van ons allemaal, zelfs op universitair niveau. Mijn vader dacht altijd dat hij de domste was van het stel, omdat hij altijd van die domme streken uithaalde. Maar volgens mij zocht hij het avontuur en had meestal verkeerde vrienden.

Ooit ging hij met die vrienden van hem naar de duinen alwaar ze over het prikkeldraad gingen om in de bunkers te gaan kijken. Bleek dat er een vermoord meisje lag waar ze al een poos naar op zoek waren. De jongens dachten dat de moordenaar er nog moest zijn en werden zo bang dat ze er als een haas vandoor gingen en terug naar huis zijn gereden. Omdat ze op verboden terrein waren geweest, durfden ze het niet te vertellen thuis. ‘s Avonds kwam bij een van de jongens uit waarvan hij zo bang was geworden. Hij had het zijn ouders verteld en die lichtten de politie in. Zo hebben ze haar toch gevonden. Ja dat zijn domme jongens dingen.
Het heeft nog een poosje geduurt voordat hij die dingen afleerde, al deed ik hetzelf op jonge  leeftijd en later ook nog, niet veel beter.

Rudie kocht op zijn 18e een hele groteToyota Crown. Je moet weten dat hij tegen de achterruit een bord had geplaatst met “MAFFIA STAFCAR’.
Voorin op het dashboard stond een sigaretten-aansteker in de vorm van een handgranaat.

Ik mocht er ook een keer in rijden en eenmaal op de snelweg gebeurde er een enge actie. We reden bij voorburg op de snelweg richting Gouda toen er een andere auto met een stel gaaies er in, ons expres ging snijden en voor ons neus ging afremmen en nog meer van die rare acties.
Je zag ze lachen met zo’n treiterende blik. Die zouden ze wel eens even schrik aanjagen. Ze maakten gebaren dat we moesten stoppen.
Toen kreeg ik het inpulsieve idee om de handgranaat te pakken toen ze net weer langszij kwamen om ons bang te maken.
Ik deed het elektrische raam open en deed net of ik de pin er uit trok met mijn tanden. Maakte een gooibeweging waarna boven mijn verwachting de auto vol in de remmen ging en bijna op de vangrail knalde. Natuurlijk heb ik niet echt gegooid, maar we hebben ze daarna niet meer gezien.

Deel V
Ons eigen bedrijf
We hadden het plan opgevat om samen auto’s te gaan opknappen en zo ons eigen bedrijf te beginnen.
Onze eerste klant was een goeie. Hij wilde dat we de motorkap gingen opknappen. Er zat roest aan en een paar deuken in. Was geen probleem. Wij deukten het plaatwerk uit en schuurden alle roest er af. Plamuurden de boel helemaal strak. De man had gezegd dat hij niet moeilijk was en dat hij het al snel mooi zou vinden als het goed gedaan werd. Verf spuiten konden we niet zelf, maar een buurjongen zei dat hij daar goed in was. Handige Paultje werd hij genoemd. Jammer dat de temperatuur in zijn schuur te laag was en hij niet wist dat spuiten boven de 15 graden dient te worden gedaan.
Het resultaat was een motorkap met sinaasappel-effect.
Wij een beetje bezord, maar Paultje zou het nog een keer overdoen. Hij snapte niet waardoor het kwam, want andere keren ging het zo goed?
Na wat gedoe kregen we hem weer terug, maar nu was het nog erger. Mijn vader zei hoe we het konden oplossen. Uit laten harden en polijsten met commandant groen. Dan lijkt hij net weer nieuw. Wij dat gedaan en na een hele dag samen poetsen was het reutaat verblindend.
Jammer dat de klant niet wilde betalen, want het was te mooi geworden en stak teveel  af bij de rest van de auto.

Later ging Rudie in militaire dienst (toen nog verplicht in Nederland). Daar leerde hij verf spuiten op minutiekisten. Dus hij dacht dat een auto ook wel ging lukken.
Van een man met een Indische achtergrond kregen wij een klusje aan een oude Toyota welke metallic blauw was. Hij zei dat hij ons deze klus gunde om ons bedrijf op gang te helpen. Het was een heel aardige kerel. De spatborden moesten uitgedeukt en overgespoten worden. De rest van de auto zag er nog als nieuw uit.
Ik deed het uitdeukwerk en strak maken en Rudie ging hem spuiten.
Omdat hij totaal geen ervaring had met auto’s spuiten ging er toch wat mis.
Hij had naast de spatborden keurig tape geplakt om de auto niet te raken. Maar de garage waar werd gespoten had geen damp-afzuiging. Toen het spuitwerk klaar was belde hij mij daarover op en was weggegaan. Ik had natuurlijk eerst moeten gaan kijken, maar wie verwacht dit nou? Ik had de man opgehaald en samen reden we naar de garage. We doen de deur open….. en alles was blauw! Ook al mijn gereedschap, de ramen de deuren, …ALLES !
De man bekijkt zijn auto en roept in zijn Indisch accent, “IK HEB EEN CLOWN-AUTO, IK HEB EEN CLOWN-AUTO”.  Hij was volkomen buiten zinnen.
Rudie en ik zijn nog twee dagen met het handje aan het poetsen geweest. het lastigste was de voorruit die totaal was dichtgespoten. Wat een werk was dat. We hebben toen uitgerekend wat we per uur hebben verdiend. Ongeveer 0,17 cent per uur. Kun je nagaan!
Dus het bedrijf werd toen gestopt wegen teveel sucses.
Maar met Rudie is het toch goed gekomen hoor. Hij heeft nu zijn eigen schildersbedrijf en helaas niets meer gedaan met zijn hoge opleiding. Hij heeft  wat hij wilde en een stel mooie kinderen.

Deel VI

VEREN
Tegenwoordig gaan kinderen met vakantie mee naar het buitenland, gaan naar speel-paradeizen of mooie campings.
Toen ik een tienjarige jongen was hadden wij dat alemaal nog niet. Er was maar 1 kind in de hele wijk welke met een auto naar Frankrijk ging op vakantie. De rest bleef thuis en kreeg als bijzonderheid 10 cent voor een goedkoop openlucht zwembad en een stuiver voor een half dubbellikker ijsje.
Maar ongelukkig waren we zeker niet. Wij zagen kans om met heel weinig ons bijzonder goed te vermaken. Vroeger stond als het grootvuil dag was van alles bij de stalen vuilnisbakken aan de stoep. Oude stofzuigers waar we een duikboot van maakten, bezems waar en sigarenkistjes waar je een gitaar mee kon kaken. Of we gingen een vlieger maken van een paar latten en papier.
Maar het allerleukste vond ik zelf fikkie stoken op een braakliggend terrein vlak in onze buurt. Dat terrein was helemaal bedekt met brandnetels. Voorheen hadden er huizen gestaan, maar het veld stond al jaren ongebruikt. Mensen gooiden daar hun afvalhout neer, oude stoelen, kapotte motorcarries en bromfietsen.
Ik hakte daar dan met een oud broodmes paden in het brandnetelveld en die vormden dat een croscircuit voor de fiets of oude bromfiets die het nog deed. Alle jongens en meisjes uit de buurt (en dat waren er veel) kwamen wedstrijdjes meedoen die ik organiseerde. In het midden had ik met mijn broer een hut gebouwd van het oude hout.
Spijkers werden thuis uit de schuur gepakt van mijn vader.
‘ s avond brandde er bovenop de hut een draaiende lamp gemaakt van een oude klok(die je wel telkens moest opwinden) met een olielamp er op. Zo hadden we ons eigen zwaailicht. Maar op een dag had iemand een heel groot matras gedumpt.
Dat zorgde voor een hilarisch verhaal……

Er was behalve mijn broer niemand op het veld. Er lag weer genoeg oud hout en andere troep om in de fik te steken en zodoende hadden we binnen een kwartier een flink vuur gemaakt. Toen zag ik de grote matras liggen en samen legden we die ook op het vuur. Zal wel lekker fikken zeiden we tegen elkaar. Op dat moment begon het hard te waaien en dat wakkerde het voor extra aan. De matras wilde niet erg branden, maar de buitenkant schroede wel helemaal open. De matras bleek helemaal gevuld met donzen veren. Dat knetterde enorm en wij genoten van het spektakel totdat de wind er vat op kreeg. Door de hitte stegen de veren op en boven in de lucht werd het door de wind meegenomen. Later bleek dat het in de wijk en zelfs daarbuiten veren regende die dag. Iedereen had het er over en de politie ging de buurt rond om te vragen of iemand er van wist. Niemand had ons de matras zien verbranden en dat was ons geluk.
‘s avonds wel aan mijn vader verteld, want we moesten het wel iemand vertellen zo’n avontuur. De andere morgen werd er nog door de buren over geptaat en geklaagd. Wie zouden dat op hun geweten hebben. Alle tuinen en huizen hadden een verenplaag ondervonden. Mijn vader zette die morgen de radio aan toen iedereen weer naar binnen was. Op de radio begon net de ochtend gymnastiek  met Ab Goubitz die zei ” staat u allen klaar? Dan gaan we nu beginnen met enz.” En toen hoorden we “en nu veren, veren, veren… ” We kwamen niet meer bij van het lachen!

Nooit gedacht dat er zoveel veren in 1 matras kunnen zitten.

Even geen vuur meer gemaakt op het veld. Een poosje later vonden we een bakfiets met een motor. We hebben eerst de banden geplakt en samen kregen we de motor weer aan de praat.
Koos een grote jongen welke al een paar jaar ouder was dan wij ging er op zitten en reed met ons in de bak naar het crosveld. Daar ging het een poosje goed, totdat… Koos hem niet meer kon houden en wij samen een schuur binnen reden dwars door de achterkant. Ja dat vonden onze gezamelijke ouders, op z’n zachts gezegd,  niet zo leuk kan ik gelukkig nog navertellen.

Ja met ongeveer vijftig kinderen in onze wijk was er altijd wel iets te doen of te beleven.
Op een dag in de zomervakantie kwam er bij ons aan de overkant een jongen uit een huis die we niet kenden. Hij bleek alleen Duits te kunnen praten. Er waren kinderen uit het buitenland gehaald om in Nederland vakantie te vieren. Wat wij er van begrepen was dat er kinderen in Nederlandse gezinnen werden opgenomen welke het een en ander hadden meegemaakt door de nasleep van de tweede wereldoorlog en  in slechte omstandigheden verkeerden in hun land. Deze jongen heette Kurt (Koerd verstonden wij). Hij was reuze amusant en vertelde allerlei verhalen. Wij verstonden geen woord Duits, maar door zijn gebaren en geluiden wisten we heel goed waar het over ging.
Hij kon heel goed het galopperen van een paard nadoen en er bij hinneken. Als je je ogen dichtdeed zag je hem voorbij draven. Een heel bijzondere jongen was het.
De hele grote vakantie hebben we met hem opgetrokken. Hij leerde heel snel Nederlandse woorden en wij Duitse, zodat we elkaar steeds beter begonnen te begrijpen. Jammer genoeg was het maar voor even en hebben we hem nooit meer gehoord of gezien.
Voordat hij weer vertrok naar zijn land verwondde hij zich aan een mesje dat hij altijd bij zich had. Het bloed viel op een tegel en die tegel werd een soort monument ter herinnering an Kurt.

 

Wordt vervolgd!

Jacques verhalen 2017