“De ontdekker”, in meerdere te volgen delen

Ach schiet mij maar dood zei Opa…..
Er zijn miljarden levens op deze planeet en ik ben er één van.

Die ene die ik ben vertelt zijn verhaal in delen. Ogenschijnlijk zijn het her en der herinneringen die mij te binnen schieten.
Er zijn leuke anekdotes, serieuze zaken en ideeën in mijn verhalen. Als ik mijzelf omschrijf ben ik iemand die nog elke dag iets nieuws probeert te ontdekken. Dus noem ik mij  “De ontdekker“.

Voorwoord:
Dit verhaal vertelt, dat je wel heel veel geluk moet hebben dat je überhaupt geboren wordt op deze wereld.
Dat geluk hebben onze voorouders, nakomelingen en wij gehad, al hebben wij allen er geen enkele moeite voor gedaan om dit te verwezenlijken. Het is namelijk heel bijzonder dat wij die nu bestaan, het er levend vanaf gebracht hebben als je nagaat wat er allemaal mis had kunnen gaan om je geboorte te voorkomen. Dat het een geschenk is dat je nu leeft.  Eigenlijk hebben wij allemaal de Jackpot gewonnen. Al denk ik niet dat iedereen zo blij is met zijn of haar prijs. Dat geldt zeker voor bijna alle dieren en ook mensen die op de verkeerde plaats of in het verkeerde lichaam zijn geboren.

Als u de moed op kunt brengen dit verhaal te lezen, tel dan het aantal keren dat u en ik bijna het loodje legden. Ik realiseer mij dat het nog steeds een wonder is dat ik dit verhaal zit te schrijven en dat u en mijn kleinkinderen het kunnen lezen.

De samenstelling van mijn familie wordt eigenlijk pas duidelijk als ik de namen noem van moeders en vaders kant.
Ik zal ze noemen en zo nodig één voor één behandelen met daarbij hun bijzonderheden.
Ons gezin bestond uit Vader Jan, moeder Christine, dan kwam Jacques de oudste zoon, met daarna Frederik, zus Gerarda en als laatste een broertje Rudolf. Mijn Opa aan vaders kant heette Jacobus. Mijn Oma’s heb ik beiden nooit gekend omdat ze al jong zijn overleden. Uit vertellingen weet ik een aantal zaken van hen die in mijn verhaal zullen terugkomen.
De Opa aan moeders kant heette Frederik.
Dus nu is misschien duidelijk over wie ik het straks zal hebben.

 

DEEL I
In 1951 werd ik geboren. We woonden in een straat met arbeiders gezinnen, haaks op een spoorlijn waar elke nacht de Chloortreinen in volle vaart langs denderden .

In ons huis woonden negen andere mensen met mijn moeder.
Behalve mijn moeder rookten ze allemaal letterlijk als schoorstenen. Maar ze mocht fijn meeroken terwijl ze van mij zwanger was. In bed werd er gewoon doorgerookt tot ze in slaap vielen. Mijn Opa Jacobus bijvoorbeeld, heeft een keer zijn bed in de fik gestoken doordat hij rokend in slaap viel. De meeste van hen zijn er later ook vroegtijdig door heengegaan, maar dat terzijde.

Dit zorgde er voor dat mijn overlevingskansen al aanzienlijk daalden. Mijn aanleg was blijkbaar toch sterk genoeg om dit alles tot nu te overleven.
Foto’s van mijn jeugd zijn er bijna niet, althans ze schijnen er wel te zijn, maar ik heb ze nooit gezien. Mijn moeder vertelde dat een nicht van mij alle foto’s van de familie meegenomen heeft, inclusief de negatieven. Ze ontkende het meteen toen ik vroeg of ik kopieën mocht van de foto’s. Ze zei dat haar zus alle foto’s  heeft. Ja.., mijn reet!
Maar een paar heb ik er toch wel, die heeft ze gemist denk ik. Bijvoorbeeld een (kleine) foto, welke ondanks dat deze wazig is en in zwart/wit/bruin gevlekt met rafels, zie je toch dat ik er op sta… met een pispot in mijn hand. En ik keek nog blij ook…
1953
Ja dat vonden de mensen vroeger erg grappig. Dat je later ziet hoe lullig je er bij stond, terwijl je nog nergens notie van had. Het liefst een foto van jou in je blote hol met een mini piemeltje. Niet dat het nog ooit heel veel meer geworden is hoor. Maar verder totaal onbelangrijk dus. Mijn Oma die daar ook heeft gewoond, maar dat was voor mijn geboorte, heb ik nooit gekend. Beiden Oma’s waren al vroeg aan enge ziektes overleden. Hun vreselijk ziekten waren voor beiden een straf van god volgens de geestelijke vaders van de kerk. Dus werden ze beiden naar dat denkbeeld ook behandeld door hun.

Mijn oma (van vaders kant) had MS en lag met een doorgelegen rug zeer lange tijd huilend te creperen. Door de geestelijke, die gevraagd werd langs te komen om haar wat op te beuren en met haar te bidden, werd gezegd dat ze maar niet had moeten trouwen met iemand van een ander geloof. Nou daar knapte ze een stuk van op!
                                           
Mijn andere oma (van moeders kant dus) kreeg ook een opsteker van haar pastoor. Ze had maagkanker welke in het ziekenhuis was behandeld door artsen die haar open  maakten, nieuwsgierig in haar rommelden en volgooiden met jodium. Ze heeft nog maanden lang liggen bidden of ze alsjeblieft naar boven mocht komen terwijl opa Freek het in de keuken stiekem met de huishoudster deed.
Mijn ouders hebben ons niet kerkelijk opgevoed, dat is toch raar hè?

Er kwam wel eens iemand van de kerk aan de deur als mijn vader jarig was. Niet om iets te brengen, maar om een bijdrage voor de kerk te vragen omdat de heer hem weer een jaar leven had geschonken.
Ik stond er een keer bij toen dat gebeurde. Ik kon meteen weer een paar bijzonder fraaie uitdrukkingen aan mijn woordenschat toevoegen. Soms gaf hij toch wel eens wat. Bijvoorbeeld een ouwe knoop van een Jas. Die vroeg hij dan meteen weer terug, want dat vond hij teveel en gaf in plaats daarvan een cent. Ja zei hij dan “een knoop kost elf cent en dat is mij te gortig”.

Opa Jacobus had ooit een touwbaan gehad in Gouda met als specialiteit dat hij als enige in de omgeving het hennep-touw kon verven. Hij was een perfectionist hoorde ik van iedereen, maar kon behalve keihard werken ook urenlang ouwehoeren als het hem uitkwam. Heb ik toch nog iets van mijn opa geërfd.
De andere inwonenden waren reeds vertrokken en opa was bij zijn dochter in gaan wonen. Het (huur)huis bleef aan mijn ouders.

Vijf jaar later kwam opa Jacobus plotseling langs, wat hij anders nooit deed. Ik was erg blij dat opa zomaar eens op visite kwam. Maar hij kwam blijvend langs bleek achteraf. Want zijn dochter Eefje had gezegd, nadat hij ziek was geworden en een poep-uitgang met stinkende zak op zijn buik had gekregen van een arts, dat hij maar bij ons in moest trekken. En daarom stond hij dus plotseling bij ons op de stoep. Mijn ouders namen hem braaf in huis.
In eerste instantie was ik heel erg blij en het moment dat hij binnenkwam weet ik mij ondanks mijn jonge leeftijd nog steeds te herinneren als de dag van gisteren.
Opa kwam binnen en ik had een speelgoed pistooltje waarmee ik hem direct mee neerschoot. Hij stortte buiten verwachting niet ter aarde zoals opa’s dat horen te doen. Hij zei “ Best jongen, mijn leven heeft toch geen zin meer. Schiet mij maar dood, dan ben ik er vanaf”. Voor het eerst in mijn leven kreeg ik te maken met een zwaar gevoel van neerslachtigheid. Ik wist toen nog niet wat dat was, maar zo voelde het wel. Het was erger dan een teleurstelling. Dus dat was mijn eerste nieuwe ervaring van iets dat ik nog niet kende, maar er zouden er nog veel meer komen. Intriest vond ik het.
Ik hoopte wel dat hij een vlieger voor mij zou gaan maken, want er was mij verteld dat als hij voor iemand een vlieger maakte deze zo perfect in balans was, dat de vlieger totaal stil in de lucht kon staan. Dat wilde ik wel eens zien. Maar helaas….. hij deed het niet, beloofde het telkens, maar deed het nooit.
Mijn vader maakte daarom voor mij een hele grote mooie vlieger.
Ik mocht er zelfs bij helpen, want dan kon ik het voortaan zelf ook. ?, Nou ja.
Jammer dat ik die vlieger niet in mijn eentje kon vasthouden. Pappa liet de vlieger op en ik kreeg de klos met touw in mijn handen gedrukt en weg was ik. Mijn vader er achteraan. Hij kon nog net voor de bovenleiding van de spoorlijn mij vastgrijpen en de klos uit mijn handen trekken. Anders was dit verhaal nooit geschreven en was ik geëindigd als een hoopje rokende as. Ik was roken wel gewend, maar dit was te heftig voor mij geweest.
Telt u nog mee?
Dan nu de volgende destructieve actie:>
De eerste keer stond ik onder stroom toen ik als driejarige probeerde een lampje te vervangen in een sierhaardje dat op de schoorsteel stond waarvan het lampje er uit was. Ik had een zaklantaarnlampje gevonden en probeerde dat er in te doen.
Plotseling ging er een trillende schok door mij heen waarbij het haardje met stekker en snoer uit het contact werd gerukt en door de lucht vloog.
Even later liep ik naar mijn moeder omdat mijn rechter hand maar bleef samentrekken. Kijk mam zei ik, mijn hand kan vanzelf bewegen. “ Wat heb je gedaaaan”, riep moeder logischerwijze wel geschrokken.

Nog een paar kansen op vroegtijdig uitstappen die u ook rustig mee kan tellen.
Keer op keer had ik last van een chronische oorontsteking die ik vanaf mijn geboorte had meegekregen. Na een operatie waarbij ik bijna het loodje liet, mocht ik nog weer even verder.
Een andere keer was het dat ik bijna stikte in een stukje  Celluloid(eerste thermoplast) van een windmolentje waarop ik liep te kauwen. Mijn moeder zag mij buiten staan en ook dat ik blauw aanliep. Met twee vingers in mijn keel haalde ze het stuk kunststof uit mijn luchtpijp.

Nu weer even over mijn lollige opa die was komen inwonen.
Opa Jacobus was de man die mij , als mijn moeder in de keuken was, mooie verhalen vertelde over vroeger, vooral over de tweede wereldoorlog. Hoe mensen gemarteld werden en hoe ze op een rijtje werden gezet, doodgeschoten en in een grote kuil vielen. Over concentratiekampen, hoe er mensen werden vergast. Hoe men werd gezegd dat ze gingen douchen en er geen water uit kwam. Ja, mooie verhalen voor een klein kind. Kon ik weer lekker slapen die nacht.
Omdat mijn moeder niet wist waarom ik niet kon slapen en telkens riep dat ik niet dood wilde plus constant nachtmerries had, concludeerde een arts dat ik waarschijnlijk de school niet kon bijbenen en maar naar een langzame leerschool moest. Daartegen heb ik mij hevig verzet, want deze was vlakbij in het park en werd de park-HBS genoemd. Dat heet nu de park-HBO. Uiteindelijk heb ik dan toch maar bekend dat het door opa’s verhalen kwam die ik eigenlijk heel graag hoorde omdat het ze zo spannend waren.
Ik heb daarna nog zeker twee jaar bij dokter Van der Wiel gelopen. Slikte Valium van die arts om te kunnen slapen. Ja ze gaven kinderen toen Valium. Ik vond het zelf wel Kek spul. Het werkte erg bevrijdend, want ik zei tegen volwassenen wat ik van hen dacht, wat weer niet erg op prijs werd gesteld. Maar ik sliep goed en voelde mij in ieder geval wel erg lekker.
Verder moest mijn moeder ‘s avonds goed eindigende sprookjes voorlezen en mijn opa zijn mond houden van de arts.

Volgende actie:
Rond mijn tiende jaar deden we een eetwedstrijd aan tafel waarbij ik bijna het loodje legde omdat ik zowat stikte in een groot brok aardappel. Gelukkig kreeg mijn moeder het er weer net op tijd uit door de lucht uit mijn longen te drukken van achter af. De aardappel schoot uit mijn luchtpijp. Deze vrouw heeft trouwens eerder en later nog wel vaker mijn leven moeten redden. Zelfs een keer met een bezem (toen ik drie was) omdat ik dreigde voor een stel langskomende paarden met grote wagen te lopen. Dus weer een momentje dat ik dit verhaal niet had hoeven schrijven. Nummer vijf of zo? Ik hou nu zelf op met tellen, maar u kunt zelf bijhouden welke ik alweer vergeten ben.

Nog even over het humeur van Opa Jacobus. Hij was altijd in mineur omdat hij nog steeds rouwende was na vele jaren. Hij had zijn dochter eens naar school gestuurd, ondanks dat ze telkens klaagde over hoofdpijn. Hij dacht dat ze schoolziek was en zei “ hou op met dat geneuk (de toen heel gewone uitdrukking als iemand vervelend was) en ga naar school”. Een paar weken later overleed ze aan een hersenvliesontsteking. Dat is hij nooit te boven gekomen en viel ook nog eens samen met de te vroege dood van zijn vrouw na een slepende ziekte.
Enig begrip heb ik later wel voor hem gekregen, behalve dan dat hij er een kleine jongen mee opzadelde. Gelukkig zonder trauma kwam de kleine jongen er mee weg. Van de zieke oma heb ik weinig uit de familie vernomen, behalve dan dat ze uit een rijke familie kwam van (vaak clandestiene) slagers met teveel poen. Hoe rijk ze ook waren, ze hebben haar nooit gesteund omdat ze met iemand van een ander geloof trouwde. Verder heb ik een heel kleine  foto van haar gevonden met de tekst erop, “haar moet anders”. Geen idee waarom dat er op staat, maar dat ga ik ook nooit weten. Veel heeft ze van haar familie moeten verdragen toen ze nog thuis woonde. Als er controle kwam hoe er geslacht werd hadden ze een trucje om de controleur te misleiden. De brave man kwam binnen en zag geen vlees hangen dat er niet mocht zijn.
De truc was dat de man daar zelf voor zorgde. Het uit te benen karkas hing aan een deur. Als er iemand aan kwam zorgden ze dat ze zelf weg kwamen en als de deur open ging verdween het karkas in een kast. Dus de deur van de toegang was ook de deur van de kast. Op de deur stond “BEZEMKAST”. Dat de controleur dit niet door had was te danken aan dat hij de tekst pas las toen hij al binnen was. Dit verhaal vertelde mijn vader aan mij omdat het indruk op hem had gemaakt. Verder vertelde mijn vader dat haar moeder, de zeer oude oma van mijn vader en mijn overgrootmoeder, hem als kind boodschappen voor haar liet doen en houtjes hakken voor de kachel omdat ze zelf niet uit huis kon. Telkens als hij dat gedaan had kreeg hij een gulden voor de moeite. Die gulden was voor mijn oma een vermogen in die tijd en daarom kreeg mijn vader een groter muntje als hij die gulden met haar ruilde. Wat hij kreeg was vijf cent waard. Verder vertelde hij dat zijn oma is gestorven zoals ze heeft geleefd. Ze had zelfs in de warme zomer de kachel hoog aan. Mijn vader moest voor haar deze kachel altijd brandende houden, want ze had het altijd steenkoud. Ook al vielen de mussen van de hitte uit de dakgoot. Waarschijnlijk vergevorderde aderverkalking en zodoende een slechte bloedsomloop. Op een keer is ze zo dicht tegen de kachel gekropen dat ze levend is verbrand. Later heb ik pas beseft wat hij zei over dat ze is gestorven zoals ze heeft geleefd. Met andere woorden, het was niet zo een beste.
Over het huishouden heeft hij verder nog vertelt dat hij zijn werkgeld thuis moest afgeven en als dank daarvoor zijn vaders pak mocht lenen als hij uit ging. Ze hadden thuis een huishoudster omdat alle kinderen inmiddels werkten of het huis uit waren. Ze werd vieze Kee genoemd. Ze heette Kee, dat snapte ik wel, maar toen wilde ik weten waarom dat vieze er voor werd geplaatst. Mijn vader vertelde dat ze het niet erg nauw nam met hygiëne. Als bijvoorbeeld de suikerpot op de vieze houten vloer viel waar iedereen met zijn vuile schoenen van buiten kwam, werd alles met een bezem gewoon bij elkaar geveegd en terug in de pot gestopt. Dus het kon voorkomen dat er bijvoorbeeld een schaam of andere haar in je thee of koffie dreef. Er waren nog meer mooie voorbeelden, maar deze zal ik een ieder besparen.
Dat waren zo ongeveer mijn grootouders van vaders kant.
Er schiet mij vast nog wel meer te binnen als ik verder vertel.
Maar dat bewaar ik voor het tweede deel.

 

 

 

DEEL II
Ooms en tantes.
Ja dat waren ook heel aparte wezens.
Mijn Tante Eefje kreeg deze naam van haar dode zus. Haar vader nog altijd rouwende om zijn kleine Eefje gaf haar dezelfde naam in de hoop dat hij er iets goed mee maakte tegenover het overleden kind. Alleen had dit meisje niet het lieve karakter van zijn eerste meisje. Maar verwende haar wel tot op het bot. Alles was voor Eefje. Ze regelde toen ze ouder werd het huishouden. Ze ging dus ook over het huishoudgeld. Wat ieder inbracht aan kostgeld verdeel zij onder de armen. Helaas wel haar eigen armen.
Mijn moeder, die er ook woonde toen mijn vader in Indië zat wegens een oorlog waar hij voor opgeroepen was in 1945, kon mij vertellen hoe ze dat deed. Er bleek een kast in huis te zijn waarvan alleen zij de sleutel had en die bewaarde ze in haar onderbroek.
Die kast kreeg zij per ongeluk een keer vanbinnen te zien toen Eefje niet merkte dat mijn moeder binnenkwam en de kast nog open stond. Ze had een hele rij glazen potjes die uitpuilden van het geld. Ze deed snel de kast dicht toen ze door had dat mijn moeder was binnengekomen. Maar ze had het al gezien. Zo spaarde zij dus voor haar nieuwe woning en haar uitzet. Zo zag ze ook waar Eefje de sleutel bewaarde. Een kluis met een gleuf.

Toen mijn vader terug kwam uit Indië, woonden ze allemaal nog in mijn ouderlijk huis alwaar ik na mijn geboorte zoals al verteld, ik verwelkomt werd met een dikke mist van rook alwaar ik met mijn nog prille tere longen een stuk uit mocht happen.
Gelukkig gingen ze daarna één voor één het huis uit.
Tante Eefje als eerste, want ze had genoeg gespaard om te kunnen trouwen en een huis te regelen.
Een jaar daarna kreeg ik een broer. Het jaar daarop nog een, maar die hield het maar drie uur vol. Dat was zijn geluk, want mijn moeder vertelde dat hij door een resusfactor lichamelijk volkomen invalide was geworden als hij was blijven leven. Toen werd er nog niet tegen ingeënt. Omdat mijn ouders daar goed van zijn geschrokken, zijn ze pas weer aan een kind begonnen toen dat wel het geval was. Het werd een zus. En drie jaar later kwam er nog een broer, maar dat was onbedoeld, maar toch welkom. Hij werd op vrijdag de dertiende geboren en ik heb nog nooit zo een mazzelpik meegemaakt, Wat nou ongeluksdag!

Met mijn eerste broer heb ik het langst moeten optrekken. Wij waren een soort tegenpolen. Wat we ook deden het liep altijd uit op huilen. Zelfs nog op volwassen leeftijd.
Mijn zus heb ik niet zo bewust meegemaakt als kind omdat we tien jaar scheelden. Zelfs nu zie ik haar nog niet vaak.
Mijn jongste broer daaraan tegen, heb ik zelfs een jaar in huis gehad nadat mijn vader al jong overleed en mijn moeder met een waardeloze vent in Rotterdam is gaan wonen.
Die vent was een enorme hondenlul wat mij betreft. Mijn moeder is door zijn toedoen ook veel te vroeg overleden. Als ze ergens last van had of grieperig was, ging hij doktertje spelen. Gaf haar medicijnen die hij voor zijn hartkwaal had aan haar. Jahoor, dat was hem helemaal. In dat fijne Rotterdam heb je daarbij ook nog eens van die joviale trambestuurders die niet op oude mensen wachten tot ze zitten of zijn uitgestapt.
Bij het instappen vloog ze tegen de grond omdat ze nog stond en bij het uitstappen gingen de deuren te vroeg dicht zodat ze aan haar armen werd meegesleurd en ze beiden ook nog brak daardoor. Daarna in het ziekenhuis nog een ziekenhuisbacterie opgelopen waardoor ze een dodelijke longontsteking opliep. Haar weerstand was zo laag door de hulp van haar vriend de thuisdokter dat ze stikkend is heengegaan.
Naderhand stuurde hij mijn broer nog een mooie kaart met een middelvinger er op vanuit Engeland, want mijn moeder had nog geld en daarvan waren hij en zijn zoon fijn op vakantie gegaan. Jammer dat ik hem niet meer tegen kom.
Maar nu dit verteld te hebben even verder met mijn verhaal.
Mijn jongste broertje zag het niet zitten om bij die engerd in te gaan wonen en kwam dus bij ons inwonen. Na een jaar of anderhalf had hij verkering met een meisje en ging daarmee samenwonen. Hij was net 18 geworden toen.
Ook deden we later wel dingen samen zoals een auto opknappen en dergelijke. Maar daarover later meer.

DEEL III
Nu over mijn vader, moeder en de andere grootouders.
Ja, het klopt. Ik spring van de hak op de tak.
Mijn moeder was de dochter van visboer en boerin met een eigen viswinkel in Gouda.
Opa Freek (door ons opa Vissie genoemd) zat de meeste tijd langs de weg en verkocht zijn vis ook langs de deur bij de mensen thuis. Dat zie je tegenwoordig hier niet veel meer. Hij had daarvoor een Paard en wagen. Later een met benzinemotor aangedreven bakfiets.
Mijn oma was volgens iedereen de liefste en de meest zachtaardige vrouw die ze kenden in Gouda en omstreken. Jammer dat ik die nooit gekend hebt.
Mijn moeder moest al jong, net als haar zussen helpen in de winkel en kwam zodoende niet verder dan de derde klas van de lagere school.
Dat ze niet meer naar school hoefde vond ze op oudere leeftijd wel jammer. Ze was een hoop kennis tekort gekomen waar ze blijvend last van had. Maar op haar jonge leeftijd vond ze het helemaal niet erg, want op school werd haar vaak pijn gedaan door haar leraar. Deze man kreeg ik nota bene later ook als leraar en het was inderdaad een klootzak. Mijn Opa heeft hem een s een goeie klap uitgedeeld toen mijn moeder thuis kwam met een half afgescheurd oor. Hij had haar aan haar oor over de gang gesleurd toen ze niet direct deed wat hij wilde. Opa kwam verder nooit in die school, maar hij vond die dag dat hij toch maar eens kennis met de leerkracht moest gaan maken.
Helaas heeft die knakker de val van de trap overleefd, zodat hij het mij en mijn broer ook nog lastig kon maken op school. Zeker toen hij hoorde wie mijn moeder was.
Het heeft er voor gezorgd dat ik een hekel kreeg aan school, wat mij zelfs op latere leeftijd nog achtervolgd heeft doordat ik twee jaar later van school kwam dan de bedoeling was. Ik spijbelde wanneer het maar kon en bleef daardoor ver achterop met mijn leerstof.
Haar broer Paultje, en enige jongen in het gezin, hoefde niet te helpen want hij was een jongen en moest daarom studeren voor zijn toekomst. Vrouwen konden vroeger niet leren en waren handig in het huishouden en tonnen met vis sjouwen. Er was toen nog geen leerplicht. Dus werkten veel kinderen al jong mee in het bedrijf van hun ouders. Deze kinderen( vooral de meisjes)  moesten vis schoonmaken, haringtonnen sjouwen en bestellingen rond brengen. Dat laatste ging wel eens verkeerd. Mijn opa had voor iedere klant een bijnaam. Voor mijn moeder was niet altijd duidelijk hoe bepaalde klanten nu echt heetten. Zo kwam het dat sommige klanten niet meer bestelden. Er was een klant die altijd naar de wc moest als hij in de winkel kwam. Als hij geweest was stond er altijd honderd elf op de muur. Ik vroeg haar waarom stond er altijd honderd elf?
Mijn moeder zei dat hij geen Wc-papier gebruikte maar zijn vingers die hij op de muur afveegde. Dus die kerel had ze onbedoeld snel weggewerkt. Ze had op het pakje geschreven “mijnheer 111 op de muur”. Een andere klant werd Jan Prukkie genoemd.
Daarvan wist mijn moeder echt niet dat het zijn naam niet was.

Maar mijn opa kon er zelf ook wel iets van. Op een dag kwamen er tussen de middag schooljongens zoals wel vaker een visje kopen. Maar deze keer hadden ze een andere bestelling. Ze konden van het lachen niet uit hun woorden komen en toen haar moeder vroeg wat ze nu eigenlijk wilden, zeiden ze “dat wat op de etalage staat, dat willen wij hebben”.
Mijn opa was niet zo best met taal blijkbaar. Hij had met grote letters op de winkelruit gezet ”Heden gebakken KUT”. Moest natuurlijk “gebakken KUIT” zijn, maar dit vonden ze lekkerder zeiden de jongens. Toen mijn moeder toch over mijn opa aan het vertellen was zei ze “ hij had wel meer dingen die je niet vergeten kunt, zoals die keer in de oorlog dat hij voor zijn vrouw zelf een korset maakte van auto binnenbanden.
Zijn vrouw wilde het absoluut niet passen, want ze dacht dat het veel te klein was. Opa zei toen dat het kon rekken en zou het wel even voordoen. Zodoende trok hij het korset aan waar iedereen bij stond. Iedereen lag eerst helemaal blauw van het lachen, maar toen hij ook blauw werd hebben ze hem zo snel mogelijk bevrijdt.
Ze zei nog, wat ging die tekeer toen hij er niet uit kon komen ha, ha ,ha.
Die handige opa is tot op hoge leeftijd blijven werken met zijn viskar langs de weg. Iedereen kende hem en zijn gewoontes en uitvindingen. Liet zich soms in natura betalen voor de vis. Zodoende hoefde mijn schoonmoeder (vertelde ze ooit aan mij) nooit meer vis van hem. Als hij vis verkocht aan rooie Tonia (de hoer van het dorp) mocht hij altijd even een kwartiertje binnenkomen.
Mijn moeder vertelde dat hij nooit verder dacht dan de dag van vandaag. Morgen zag hij wel weer wat er kwam. Zodoende zag hij kans naar een jarig familielid te reizen in Rotterdam. Dat ze dat af en toe aan het bombarderen waren vond hij geen bezwaar. De hele familie ging in de viskar met motoraandrijving en zo naar Rotterdam. Er gebeurde net als hij al verwachtte helemaal niets onderweg of in Rotterdam.

Toen ik nog thuis woonde is opa Vissie na zijn zes en tachtigste jaar toch maar met pensioen gegaan. Hij kreeg staar en werd geopereerd. Dat is alles wat hij ooit gemankeerd heeft. Dus elke dag een paar borrels, pakjes sigaretten, een dikke buik eten van de vette vis en buiten de deur neuken kan zorgen dat je heel gezond, heel oud wordt (96).
Hij maakte in die tijd ook wel leuke dingen voor iedereen die hij aardig vond. Hij had nu tenslotte alle tijd nu hij niet meer langs de weg zat.
Niet iedereen was er even blij mee kan ik je uit eigen ervaring vertellen. Als je eens logeerde mocht je douchen in de bijkeuken.
Er zat helemaal geen douche in dat huis, maar hij maakte er, handig als hij was, zelf wel een. Hij had namelijk een gieter opgehangen aan een touwtje en als je daaraan trok kreeg je een ijskoude straal water over je rug. En je stond het toch al af te niften van de kou, want het was in de bijkeuken net zo koud als buiten. Het was eigenlijk een onverwarmde serre aan de achterkant van het huis. Iedereen zag dan ook nog eens je blote reet als ze aan de achterkant naar buiten keken. Kon je ook nog eens gaan roepen om een handdoek die hij zou brengen , maar vergeten was. Duurde dan even zodat je helemaal verkleumd naar binnen mocht. Daar was het dan wel weer lekker warm zodat je er extra van genoot. Kou is goed voor je longen zij hij. Afwisselen warm naar koud en dan weer warm zorgt voor de bronchiën was de boodschap.
Toen ik zestien werd kwam ik mijn nieuwe tweedehands gekregen bromfiets laten zien. Ik kreeg toen zijn leren motorpetje, zo’n leren kap met een luxe motorbril. Die bril had zelfs zonneklepjes die omlaag en omhoog konden. De helm was toen nog niet verplicht en stoere jongens reden allemaal zonder helm. Nu zie je van die bromfietsclubs met Solexen, Zündapps en Puchjes rijden met lui in lange leren jassen en Willempie helmpjes op. Op een Solex reden alleen mensen die te bang waren om op een snelbrommer te rijden en hadden meestal wel zo’n lullig helmpje op met leren bandjes aan de zijkant.  Nou die hadden in onze tijd alleen de oude lullen en bange lulletjes. Dus wij echt nooooit! Wat dat betreft is de geschiedenis slecht vastgelegd mijns inziens.
Ik rijden zeg, met mijn opa’s spullen op mijn hoofd en werd natuurlijk prompt aangehouden door twee grote agenten in een VW-kevertje. Ja het was inderdaad geen gezicht. Wij vonden agenten in een Porche de enige klabakken die we serieus namen behalve eentje. Die noemden we de Pikkenees. Als die je te pakken kreeg had je ook meteen een pak slaag met een gummieknuppel te pakken. Die twee agenten van zo- even, kwamen niet meer bij van het lachen en wilden er wel meer van weten. “Zo jochie, ben jij wel zestien? “Oh ja”,ik liet mijn geboortebewijs zien omdat ze mij altijd voor jonger aanzagen.

“ Is dat de nieuwe mode joh? Dat daar op je hoofd?” ” Nee, maar ik doe mijn opa een plezier. Hij heeft dit 60 jaar gedragen op zijn motorcarrier”. “Hij is de beroemdste visboer op wielen van Gouda en omstreken” . “Ja die kennen wij wel”.
“Nou doe maar af, want anders veroorzaak je nog ongelukken doordat je mensen afleidt van het verkeer“. Niet van, “kun je niet beter een helm dragen”, want daar had toen nog niemand het over. Net als dat mensen achterin een autobusje zaten op klapstoeltjes als er te weinig zitplaatsen waren. Mag nu ook niet eens meer. Raar zeg!
“De groeten aan je opa hè”. Ja de groeten, dacht ik. Ik moest lachen, want die ene agent die niets zei kende ik nog van een poosje terug. Ik reed toen op mijn brommertje over een landweg met een onbewaakte spoorovergang. Daar was een boer bezig een hele kudde koeien te laten oversteken. Achter mij naderde een politiewagen waaruit twee agenten sprongen. De ene was de agent die ik kende van daarnet. De andere agent liep op de boer af om te vertellen dat het levensgevaarlijk was en snel moest maken dat hij wegkwam met zoveel koeien. De andere stond net voor mij achter de laatste koe. Ik zag de koeienstaart langzaam omhoog gaan. Dat betekent bij insiders dat je even een stap naar achter of op zij moet doen. Die agent wist dat blijkbaar niet als stadsagentje. Die koe scheet een grote dikke straal groene stront over zijn borst en buik en een paar spetters rond zijn neus. Die andere agent had het niet door totdat ik hard begon te lachen. Hij kwam op mij aflopen en ik er vandoor.

Ook maakte opa Vissie leuke windmolens. Hij had er eentje op onze schuur achter het huis geschroefd. Hij wilde mijn moeder en de kinderen weer eens blij maken met een zelfgemaakt product. Het koe-lere ding was oerlelijk geverfd en gemaakt van ongeschaafd waaibomenhout want het mocht natuurlijk weer niks kosten. Totaal uit balans  maakte het ding een vreselijke herrie als de wind een beetje aantrok. We kregen klachten van de buren dat ze niet konden slapen van de herrie af en toe.
Mijn vader beloofde het gevaarte persoonlijk van het dak te halen. Maar dat was al niet meer nodig, want de oerdegelijke constructie die mijn opa had gemaakt, waaide finaal van de schuur en bij de achterbuurman (door mijn vader DE NEUS genoemd) door de glazen ruit van de serre.
“Zo” zei mijn vader, “daar zijn we mooi vanaf”.
Die buurman durfde verder toch geen verhaal te komen halen, want die jatte regelmatig gereedschap van mijn vader uit onze schuur als wij de deur weer eens lieten open staan tijdens het spelen achterom. De man ontkende altijd dat hij wat van ons had, maar andere kinderen hadden hem al een paar keer betrapt. Daarom mochten wij gereedschap terug stelen als mijn vader in de fabriek werkte, zodat mijn vader altijd een alibi had. En als hij toch durfde te klagen…wist hij ook van niets en zei dat zijn kinderen zulke dingen niet deden.

Mijn opa maakte ook mooie schilderij-lijstjes welke mijn vader absoluut niet in de kamer wilde hebben. Maar hij was er zo trots op dat mijn vader toch maar toe gaf aan mijn moeder die het wilde ophangen. Opa Vissie demonstreerde mij hoe hij die lijstjes maakte.
Hij nam een oud lijstje van een stapel welke met goudverf was onder gesmeerd. Dan pakte hij een brandende kaars en brandde het lijstje om de vier of vijf centimeter zwart. Daarna deed hij er vernis over en klaar. Had je een soort gouden zeebra-lijstje dat kleefde en stonk. Schilderij of foto er in en KLAAR!
Dat zijn schuur bijna afbrandde zat hij niet zo mee. Eerst gebruikte hij namelijk een brander , maar dat ging fout.  Opa was vergeten in zijn enthousiasme dat de brander nog aan was toen hij hem neerlegde.

Een andere keer had mijn opa een voetenbankje voor mijn moeder gemaakt. Daar was ze toch blij mee…. Het kostte haar drie keer een stel nylons. Toen ze eens goed keek zag ze dat er spijkers door staken en het hout vol met splinters (ongeschaafd) was. Opa keek niet zo krap als hij wat maakte.

Toen Opa 94 werd en zijn vijfde vriendin dood bleef, vond hij het welletjes en zei “ Ik ga voor de TV zitten en wacht tot ik dood ben”. Dat heeft hij nog bijna twee jaar volgehouden, want een dag voordat hij 96 jaar zou worden hield hij er plots mee op. Hij was in zijn slaap vertrokken. Mijn vader zei ” ik had wel verwacht dat hij een keer dood wakker zou worden. Die man heeft altijd geluk gehad”.

Deel IV is nog niet af. Wacht a.u.b. op het vervolg. Wordt aan gewerkt.

Jacques verhalen 2017